ECLI:NL:RBBRE:2012:BW6622
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Belastingplicht en woonplaats van buitenlands belastingplichtige met werkzaamheden in Nederland en Zweden
Belanghebbende, een Nederlandse nationaliteit dragende persoon, deed aangifte als buitenlands belastingplichtige over 2004. De kern van het geschil betrof zijn woonplaats en de belastbaarheid van zijn loon uit Luxemburgse vennootschap [onderneming C] SA. De inspecteur stelde dat belanghebbende in Nederland woonde en legde een aanslag op met een belastbaar inkomen van €162.925. Belanghebbende betwistte dit en stelde dat hij in Duitsland woonde en dat een deel van zijn loon niet in Nederland belastbaar was.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat belanghebbende in Nederland woonde. Hoewel belanghebbende banden met Nederland had, was het middelpunt van zijn persoonlijke levensbelangen niet in Nederland gelegen. Wel werd vastgesteld dat belanghebbende werkzaamheden verrichtte voor [onderneming C] in Nederland en Zweden, en dat een deel van deze inkomsten in Nederland belast mocht worden. Vanwege de omvang van de inkomsten werd de bewijslast omgedraaid, waarbij belanghebbende niet aannemelijk maakte welk deel aan Zweden toebehoorde. Daarom stelde de rechtbank het in Nederland belastbare deel van het loon op 90% vast.
Verder oordeelde de rechtbank dat het fictief loon voor het aandeelhouderschap in een Nederlandse BV niet tot het belastbaar inkomen mocht worden gerekend, conform jurisprudentie van de Hoge Raad. Ook werd vastgesteld dat belanghebbende niet premieplichtig was voor de Nederlandse volksverzekeringen omdat hij onder de Luxemburgse sociale zekerheidswetgeving viel. De aanslag werd daarom verminderd tot een belastbaar inkomen van €112.807 en de premieheffing verviel. Het beroep werd gegrond verklaard, proceskosten werden toegewezen aan belanghebbende, maar het verzoek om schadevergoeding wegens termijnoverschrijding werd afgewezen omdat de redelijke termijn niet was overschreden.
Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting werd verminderd tot €112.807 en de premieheffing verviel, met toekenning van proceskosten aan belanghebbende.