ECLI:NL:RBBRE:2011:BV1066
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Betaling aan trust voor ex-partner niet aftrekbaar als onderhoudsverplichting
Belanghebbende maakte in 2001 en 2002 aanzienlijke bedragen over aan een trust ten behoeve van zijn ex-partner, met de bedoeling deze betalingen als alimentatie in aftrek te brengen op zijn inkomstenbelasting. De ex-partner was niet gehuwd met belanghebbende, er was geen samenlevingscontract en geen gezamenlijke kinderen. De rechtbank stelde vast dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de ex-partner behoeftig was, noch dat de betalingen aan de trust daadwerkelijk ten goede kwamen aan haar.
De kern van het geschil betrof de vraag of de betaling van AUD 400.000 kon worden aangemerkt als een onderhoudsverplichting in de zin van artikel 6.3 Wet IB 2001. De rechtbank oordeelde dat voor aftrekbaarheid sprake moet zijn van in rechte vorderbare periodieke uitkeringen gebaseerd op een dringende morele verplichting. Belanghebbende kon dit niet overtuigend aantonen.
Daarnaast ontbraken nadere gegevens over de trust, zoals de trustakte, waardoor onduidelijk bleef of de ex-partner recht had op de gelden. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat de betalingen daadwerkelijk aan haar ten goede kwamen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond omdat de betaling aan de trust niet als aftrekbare onderhoudsverplichting kan worden aangemerkt.