ECLI:NL:RBBRE:2011:BU1901
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beperking dividendbelasting voor buitenlandse aandeelhouders in strijd met vrijheid kapitaalverkeer
Belanghebbende, een Nederlandse nationaliteit dragende inwoner van België, maakte bezwaar tegen de inhouding van dividendbelasting door een Nederlandse vennootschap over dividenduitkeringen in 2007. De inspecteur wees het bezwaar af, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank Breda.
De rechtbank stelde vast dat binnenlandse belastingplichtigen de ingehouden dividendbelasting volledig kunnen verrekenen via de inkomstenbelasting, terwijl buitenlandse aandeelhouders zoals belanghebbende deze verrekening niet kunnen toepassen. Dit leidt tot een ongelijke behandeling en vormt een beperking van de vrijheid van kapitaalverkeer zoals beschermd door artikel 56 EG Pro-Verdrag (thans artikel 63 VWEU Pro).
De rechtbank overwoog dat de situatie van binnenlandse en buitenlandse aandeelhouders objectief vergelijkbaar is en dat de ongelijke behandeling niet kan worden gerechtvaardigd door het belastingverdrag Nederland-België of andere rechtvaardigingsgronden. Wel oordeelde de rechtbank dat Nederland niet verplicht is de volledige dubbele belasting ongedaan te maken; dit is de verantwoordelijkheid van de woonstaat.
Daarom kent de rechtbank belanghebbende teruggaaf toe van het bedrag waarmee de belastingdruk hoger is dan die van een binnenlandse belastingplichtige, zijnde € 527 over de laatste dividenduitkering in november 2007. Verder veroordeelde de rechtbank de inspecteur in proceskosten en corrigeerde het griffierecht.
Uitkomst: Gedeeltelijke teruggaaf van dividendbelasting van € 527 aan buitenlandse aandeelhouder wegens ongelijke behandeling.