ECLI:NL:RBBRE:2011:BR1489
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belastingheffing over verrekening lijfrentepolissen bij echtscheiding
Belanghebbende was van 1988 tot 2004 gehuwd in gemeenschap van goederen en bij echtscheiding in 2003 werden lijfrentepolissen toegescheiden aan de ex-echtgenoot met recht op verrekening voor belanghebbende. Betalingen in 2006 ter verrekening van deze polissen werden niet als inkomen opgegeven, waarop de inspecteur een navorderingsaanslag oplegde.
De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 3.102, derde lid, Wet IB deze betalingen behoren tot het inkomen uit werk en woning, omdat het recht op verrekening van lijfrentepolissen bij echtscheiding als aangewezen periodieke uitkering geldt. De parlementaire geschiedenis bevestigt dat deze bepaling geen inhoudelijke wijziging kent ten opzichte van de voorganger in de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Belanghebbende voerde aan dat de betalingen fiscaal geruisloos zouden moeten zijn, maar dit verweer werd verworpen omdat hier geen sprake is van vervreemding van een lijfrente, maar van verrekening van de waarde daarvan. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van € 1.528,50 wegens verwijzing naar een niet toepasselijke wettelijke bepaling in de bezwaarprocedure.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag wordt bevestigd.