ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ7512
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
BPM-heffing bij invoer gebruikte auto gebaseerd op datum inschrijving kentekenregister
Belanghebbende deed aangifte BPM voor een gebruikte auto uit Duitsland, waarbij de BPM werd berekend op basis van de cataloguswaarde en een taxatie. De inspecteur verhoogde de BPM eigenhandig tot een hoger bedrag dan aangegeven, wat leidde tot bezwaar en beroep van belanghebbende.
De rechtbank stelde vast dat de BPM verschuldigd is op het moment van inschrijving in het kentekenregister, niet op de datum van aangifte. De waarde van de auto moest worden vastgesteld op die datum, waarbij de door belanghebbende gebruikte handelsinkoopwaarde van € 33.391 aannemelijk werd geacht. Dit leidde tot een lagere BPM dan door de inspecteur vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, kende belanghebbende recht op teruggaaf van € 1.212 BPM en heffingsrente over een bedrag van € 2.007 toe. Daarnaast werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de volledige proceskosten van € 5.505 wegens de onrechtmatige eigenhandige verhoging van de BPM door de inspecteur, die in strijd was met het wettelijke systeem van heffing op aangifte.
De uitspraak benadrukt het belang van correcte toepassing van de wettelijke bepalingen bij BPM-heffing en bevestigt dat de datum van inschrijving in het kentekenregister bepalend is voor de waardebepaling en heffing van BPM bij invoer van gebruikte auto's.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat BPM moet worden berekend op basis van de waarde bij inschrijving in het kentekenregister en kent volledige proceskostenvergoeding toe.