ECLI:NL:RBBRE:2011:BP6435
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.M. de Werd
- A.W. Schep
- M.L. Weerkamp
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van bouwlegesheffing bij reguliere bouwvergunningen voor woningen
Belanghebbende heeft twee bouwvergunningen aangevraagd voor de bouw van respectievelijk 7 en 89 woningen. Naar aanleiding hiervan bracht de gemeente twee nota’s bouwleges in rekening. Belanghebbende stelde dat de Verordening op de heffing van leges onduidelijk en strijdig met het rechtszekerheidsbeginsel is vanwege een foutieve verwijzing in de Tarieventabel, en dat de heffing onredelijk en willekeurig is.
De rechtbank oordeelde dat de fout in de Verordening een verschrijving betreft die niet leidt tot onverbindendheid, omdat uit de tekst voldoende duidelijk blijkt dat voor reguliere bouwvergunningen voor woningen een vast eenheidstarief van € 3.216 per woning geldt. De rechtbank stelde vast dat de gemeente een grote vrijheid heeft bij het vaststellen van legestarieven en dat de heffing niet in strijd is met artikel 229b van de Gemeentewet, aangezien de geraamde baten niet hoger zijn dan de lasten.
Verder werd geoordeeld dat de heffing niet onredelijk of willekeurig is en dat er geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat woningen en niet-woningen niet vergelijkbaar zijn gezien de verschillen in werkzaamheden en tariefstelling. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de bouwlegesheffing wordt ongegrond verklaard en de heffing bevestigd.