Uitspraak
RECHTBANK BREDA
1.de besloten vennootschap HANOS-ISPC BREDA B.V.,
1.Het verloop van het geding
2.Het geschil
3.De beoordeling
De onderneming verricht voor meer dan 50%, zijnde 90%, groothandelsactiviteiten van levensmiddelen (ongeacht de verpakkingsvorm) gericht op de binnen- en buitenhuishoudelijke markt en de omzet die wordt behaald met het verkopen van die levensmiddelen bestaat voor meer dan 50%, zijnde circa 90%, uit het verkopen aan wederverkopers en/of aan wederverkopers in retailondernemingen en/of verbruikers in horeca- en cateringbedrijven.”
Omzet 2008 behaald in de categorieën genoemd in artikel 2
Werkgever verkoopt uitsluitend aan restaurants van het midden- tot het topsegment. Voor het gehele personeel is een pensioenvoorziening getroffen bij Zurich waarbij de werkgever 2/3 deel van de premie voor haar rekening neemt. (…) Hoewel ISPC op zich aan de assortimentseis voldoet wordt slechts ca. 25% van de omzet behaald uit de verkoop van produkten zoals genoemd in de cao. Duidelijk is dat de nadruk ligt op de verkoop van (dag) verse kwaliteitsproducten zoals vlees, vis en groenten.”
grutterswaren;
bezig houdt met het kopen en verkopen van een assortiment levensmiddelen (ongeacht de verpakkingsvorm) bestaande uit ten minste acht van de hierna genoemde groepen;
- grutterswaren, zoals deegwaren (…)
- gedroogde vruchten van binnenlandse of buitenlandse herkomst (…)
- (…)
énbuitenhuishoudelijke markt”, laat geen andere interpretatie toe dan dat een onderneming zowel aan de binnenhuishoudelijke als aan de buitenhuishoudelijke markt moet verkopen om te kunnen worden aangemerkt als groothandel in levensmiddelen in deze categorie. Dit strookt ook met de uitleg van Bpf GIL ter zitting dat de uitbreiding van de b-categorie in de CAO GIL omstreeks 2005 is geschied om juist de hybride groothandels in levensmiddelen, die zowel aan de detailhandel als de horeca leveren, onder de werkingssfeer te brengen. Of de eis van levering aan de binnen én buitenhuishoudelijke markt geldt voor de overige groothandels genoemd onder sub b. van artikel 2 doet Pro dan ook niet ter zake.
4.De beslissing
of:
woensdag 30 maart 2011 om 11.00 uurvoor akte na tussenvonnis, waarbij beide partijen zich kunnen uitlaten over de voorgestelde personen van de deskundige, de aan deze voor te leggen vragen en de omvang van het te storten voorschot;