ECLI:NL:RBBRE:2009:BK0184
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank oordeelt dat draaiplateaus bij kampeerauto niet buiten BPM-heffing vallen
Belanghebbende, een BV die kampeerauto’s importeert, maakte bezwaar tegen de BPM-heffing over een Ford Transit kampeerauto waarbij draaiplateaus onder de voorstoelen waren aangebracht. De inspecteur had de waarde van deze draaiplateaus bij de catalogusprijs geteld en daarmee meegenomen in de BPM-heffing.
De rechtbank stelde vast dat het draaiplateau door de fabrikant was aangebracht en dat de wettelijke regeling een objectieve norm beoogt voor het buiten de heffing laten van recreatieve voorzieningen. Omdat draaiplateaus ook voorkomen bij bestelauto’s zonder recreatieve functie, dienen zij niet als specifiek recreatieve voorzieningen te worden aangemerkt en vallen zij niet onder de tegemoetkoming.
Belanghebbende voerde aan dat het draaiplateau alleen was aangebracht om de bestelauto bruikbaar te maken als kampeerauto en dat het daarom buiten de heffing moest blijven. De rechtbank verwierp dit en oordeelde dat het onderscheid tussen door fabrikant of dealer aangebrachte voorzieningen binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever valt en niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in het EVRM of IVBPR.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de BPM-heffing inclusief de draaiplateaus blijft gehandhaafd.