ECLI:NL:RBBRE:2009:BI0542
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank oordeelt over fictieve weigering voorschot inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet
Belanghebbende diende op 27 december 2007 een verzoek in voor een voorschot op de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (IAB Zvw) over 2008. De inspecteur reageerde niet op dit verzoek, waardoor op 23 februari 2008 de redelijke termijn voor een beslissing was verstreken. Hierdoor ontstond een fictieve weigering om te beslissen, gelijkgesteld aan een beschikking volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Belanghebbende diende vervolgens op 3 maart 2008 bezwaar in tegen deze fictieve weigering. De inspecteur besloot echter niet op het bezwaar, waarna belanghebbende op 18 april 2008 beroep instelde bij de rechtbank Breda tegen het uitblijven van een uitspraak. De rechtbank oordeelde dat het bezwaar niet-ontvankelijk was omdat de voorschotbeschikking niet vatbaar is voor bezwaar en beroep volgens de Zorgverzekeringswet.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond wegens het uitblijven van een beslissing op het bezwaar en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van proceskosten. De rechtbank wees erop dat de inspecteur verplicht was binnen zes weken te beslissen op het bezwaar en dat het niet tijdig beslissen leidt tot een fictieve weigering die gelijkgesteld wordt aan een beschikking. Het geschil betrof de vraag of de inspecteur een voorschot IAB Zvw moest toekennen en of daartegen bezwaar en beroep openstonden.
De rechtbank concludeerde dat het bezwaar niet-ontvankelijk was en dat het beroep tegen die niet-ontvankelijkheid wel ontvankelijk en gegrond was. Hierdoor kwam de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om het voorschot. De uitspraak werd gedaan door rechter Beukers-van Dooren op 30 maart 2009.
Uitkomst: Het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar werd gegrond verklaard en het bezwaar niet-ontvankelijk.