ECLI:NL:RBBRE:2009:BH9971
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid beroep tegen fictieve weigering navorderingsaanslag vennootschapsbelasting
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting en een vergrijpboete over het jaar 2000. De inspecteur heeft niet tijdig uitspraak gedaan op deze bezwaren, waarna belanghebbende beroep instelde tegen de fictieve weigering. De inspecteur stelde dat de termijn voor het doen van uitspraak pas was begonnen bij de nadere motivering van het bezwaar in 2007, waardoor het beroep prematuur zou zijn.
De rechtbank overweegt dat, ongeacht het moment waarop de termijn is gaan lopen, de termijn inmiddels is verstreken en er sprake is van een fictieve weigering. Op grond van artikel 6:2 en Pro 6:20 Awb wordt het beroep geacht mede gericht te zijn tegen deze fictieve weigering, waardoor het beroep ontvankelijk is. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en gelast de inspecteur binnen zes weken alsnog uitspraak te doen op de bezwaren.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende en gelast vergoeding van het betaalde griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter Beukers-van Dooren en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2009.
Uitkomst: Het beroep tegen de fictieve weigering is ontvankelijk en gegrond verklaard, en de inspecteur is gelast binnen zes weken uitspraak te doen op de bezwaren.