ECLI:NL:RBBRE:2008:BH1281
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling tijdigheid naheffingsaanslag omzetbelasting en opgelegde boete
Belanghebbende, een vennootschap onder firma en ondernemer voor de omzetbelasting, kreeg een naheffingsaanslag opgelegd voor de jaren 2001 tot en met 2003. De aanslag was gedagtekend op 28 december 2006 en werd ontvangen op 2 januari 2007. Belanghebbende stelde dat de aanslag voor 2001 te laat was opgelegd en daarom vernietigd moest worden. De inspecteur betwistte dit en voerde aan dat de aanslag tijdig was verzonden.
De rechtbank overwoog dat de bewijslast voor tijdige terpostbezorging bij de inspecteur ligt. Hoewel de ambtsedige verklaring van een belastingambtenaar alleen onvoldoende bewijs vormde, achtte de rechtbank het aannemelijk dat de aanslag nog in 2006 was verzonden, mede gelet op de gebruikelijke handelwijze van de Belastingdienst en de ontvangstdatum. De naheffingsaanslag over 2002 en 2003 was in ieder geval tijdig. De boete van €1.600, een vermindering van een eerder aangekondigde boete, werd eveneens binnen de wettelijke termijn opgelegd.
De rechtbank concludeerde dat de aanslag en boete rechtmatig en tijdig zijn opgelegd. De heffingsrente was correct berekend en er waren voldoende gronden voor de boete, gelet op grove schuld van belanghebbende. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de tijdige oplegging van de naheffingsaanslag en de boete.