ECLI:NL:RBBRE:2008:BG5814

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
4 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08/1571
Instantie
Rechtbank Breda
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen revisierente bij lijfrenteverzekering en proceskostenvergoeding

In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Breda op 4 november 2008, gaat het om een geschil tussen belanghebbenden en de inspecteur van de Belastingdienst over de revisierente die in rekening is gebracht naar aanleiding van een lijfrenteuitkering die in 2004 door belanghebbenden is ontvangen. De inspecteur had op basis van een renseignement een revisierente van € 2.490 vastgesteld, maar belanghebbenden stelden dat de verzekering een voortzetting was van een pré-Brede Herwaarderingslijfrente, waardoor geen revisierente verschuldigd zou zijn. Tijdens de beroepsfase overhandigden belanghebbenden aanvullende stukken die hun standpunt ondersteunden, maar de inspecteur bleef bij zijn eerdere beslissing en wees het bezwaar af.

De rechtbank oordeelde dat het renseignement dat de inspecteur had ontvangen niet de mogelijkheid bood om te vermelden dat het om een pré-Brede Herwaarderingslijfrente ging. Dit werd de Belastingdienst aangerekend, aangezien de vorm waarin de verzekeringsmaatschappijen informatie aanleveren door de Belastingdienst zelf was bepaald. De rechtbank concludeerde dat de inspecteur onterecht van de aangifte was afgeweken en dat dit aan de inspecteur te wijten was. De rechtbank vond het ook relevant dat belanghebbenden de benodigde documenten eerder hadden kunnen overleggen, maar dit deed niets af aan de onrechtmatigheid van de inspecteur.

De rechtbank besloot de inspecteur te veroordelen in de proceskosten van belanghebbenden, die op € 483 werden vastgesteld. De uitspraak van de inspecteur op het bezwaar van belanghebbenden werd niet-ontvankelijk verklaard, en de rechtbank gelastte dat de Staat het door belanghebbenden betaalde griffierecht van € 39 vergoedde. De rechtbank benadrukte dat het aan belanghebbenden was om aan te tonen dat er bijzondere omstandigheden waren voor een integrale kostenvergoeding, maar dit was niet aangetoond. De uitspraak werd openbaar gemaakt op dezelfde dag, en partijen konden binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 08/1571
Uitspraakdatum: 4 november 2008
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats],
eisers,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
verweerder.
Eisers worden hierna belanghebbenden genoemd en verweerder inspecteur.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 20 maart 2008 op het bezwaar van belanghebbenden tegen de voor het jaar 2004 bij beschikking vastgestelde revisierente.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2008.
Aldaar zijn verschenen en gehoord, de inspecteur.
Belanghebbenden zijn door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 29 augustus 2008 aan hun gemachtigde [gemachtigde] op het adres [adres] te [postbus] [woonplaats], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Belanghebbenden noch gemachtigde zijn, zonder kennisgeving aan de rechtbank, verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van TNT Post is gebleken dat de brief op 1 september 2008 aan gemachtigde op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.
1. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van
€ 483, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;
- gelast dat de Staat het door belanghebbenden betaalde griffierecht van € 39 aan deze vergoedt.
2. Gronden
2.1. Erflater heeft in 2004 door expiratie van een lijfrenteverzekering een uitkering ontvangen van € 12.451. De uitkering is in de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2004 van erflater als onderdeel van het belastbaar inkomen uit werk en woning opgenomen.
2.2. De inspecteur heeft van de verzekeraar een renseignement ontvangen, waarin de uitkering van de lijfrenteverzekering wordt vermeld. Op grond van dit renseignement heeft de inspecteur een bedrag van € 2.490 aan revisierente in rekening gebracht. De inspecteur heeft de afwijking van de aangifte per brief aangekondigd aan belanghebbenden op 9 november 2007. De verschuldigde revisierente is bij beschikking van 27 november 2007 vastgesteld.
2.3. In de bezwaarfase hebben belanghebbenden stukken overgelegd, waaruit volgens hen blijkt, dat de lijfrenteverzekering een voortzetting betreft van een zogenaamde pré-Brede Herwaarderingslijfrente. Op grond hiervan is volgens belanghebbenden geen revisierente verschuldigd. Voorts hebben belanghebbenden om een integrale proceskostenvergoeding verzocht, aangezien de inspecteur volgens hen had kunnen zien dat het hier een pré-Brede Herwaarderingslijfrente betrof.
2.4. Naar het oordeel van de inspecteur is uit de door belanghebbenden overgelegde bescheiden niet gebleken dat de polis een voortzetting van een pré-Brede Herwaarderingslijfrente betrof. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbenden afgewezen. Tevens heeft de inspecteur het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
2.5. In geschil is de vraag of de lijfrenteverzekering een voorzetting betreft van een pré-Brede Herwaarderingslijfrente, waardoor geen revisierente is verschuldigd.
2.6. In de beroepsfase hebben belanghebbenden een verklaring overgelegd van de verzekeraar, welke verklaring op verzoek van belanghebbenden is afgegeven. Uit de verklaring blijkt dat de betreffende lijfrenteverzekering een “Lijfrente-verzekering oud regime” betrof. De inspecteur heeft hierop de beschikking revisierente vernietigd.
2.7. De inspecteur is alsnog geheel aan het bezwaar van belanghebbenden tegemoetgekomen. Op grond van het vorenstaande en onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 8 april 2005, nr. 40 149 (onder meer gepubliceerd in BNB 2005/186), is het beroep van belanghebbenden dan niet-ontvankelijk.
2.8. Met betrekking tot de proceskostenvergoeding oordeelt de rechtbank als volgt.
Op basis van renseignering heeft de inspecteur de verzekeraar verzocht gegevens te verstrekken betreffende de uitkering van de lijfrenteverzekering. Het renseignement vermeldt niet of de betreffende lijfrenteverzekering een voortzetting van een zogenaamde pré-Brede Herwaarderingslijfrente betreft, waardoor geen revisierente is verschuldigd. De vorm waarin de verzekeringsmaatschappijen dit soort informatie aanleveren aan de Belastingdienst, is door de Belastingdienst zelf bepaald. Het gegeven dat het renseignement niet de mogelijkheid biedt te vermelden dat sprake is van een pré-Brede Herwaarderingslijfrente
- waardoor geen revisierente is verschuldigd- is naar het oordeel van de rechtbank de Belastingdienst aan te rekenen. Op basis van het onvolledige renseignement is de inspecteur onterecht afgeweken van de aangifte en ook dat is, gezien het voorgaande, de Belastingdienst en in casu de inspecteur, aan te rekenen. Naar het oordeel van de rechtbank is hierdoor sprake van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid in de zin van artikel 7:15, tweede lid Awb. Dat belanghebbenden de achterliggende bescheiden eerder dan in de beroepsfase hadden kunnen overleggen, doet hieraan niet af.
2.9. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbenden in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Met betrekking tot het verzoek om een integrale kostenvergoeding in de bezwaar- en beroepsfase, oordeelt de rechtbank als volgt. Het is aan belanghebbenden om aannemelijk te maken dat sprake is van een bijzondere omstandigheid, die een integrale kostenvergoeding zou rechtvaardigen. Nu door belanghebbenden geen bijzondere omstandigheid is gesteld en dit ook niet uit de gedingstukken is gebleken, acht de rechtbank geen plaats voor de vergoeding van de werkelijke kosten.
De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 483 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).
2.10. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Deze uitspraak is gedaan op 4 november 2008 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van
mr. drs. I.E. van Eerd, griffier.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.