ECLI:NL:RBBRE:2008:BC9284
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Lening binnen familie bij bedrijfsopvolging niet ongebruikelijk in maatschappelijk verkeer
Belanghebbende, woonachtig in België en enig aandeelhouder van Beheer BV, verkocht in 1999 de dochtermaatschappijen aan Holding BV, waarvan zijn zonen aandeelhouders zijn. De koopsom bleef schuldig, waarna Holding BV een lening bij de bank afsloot om de schuld aan Beheer BV af te lossen. Beheer BV keerde dit bedrag als liquidatie-uitkering uit aan belanghebbende, die het vervolgens als lening aan Holding BV verstrekte tegen 6% rente zonder aflossingsschema en zekerheid.
De inspecteur stelde dat deze lening een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling betrof, wat leidde tot een hogere aanslag inkomstenbelasting. De rechtbank onderzocht de voorwaarden van de lening, de familierelaties en de zeggenschap van belanghebbende over Holding BV.
De rechtbank concludeerde dat de lening niet ongebruikelijk was, mede omdat de lening binnen de familie en in het kader van bedrijfsopvolging was aangegaan, en belanghebbende volledige zeggenschap had over Holding BV. Het ontbreken van een aflossingsschema en zekerheidstelling werd verklaard door de familierelaties en het feit dat de lening binnen vier jaar was afgelost. De inspecteur's stelling dat de herkomst van het vermogen tot ongebruikelijkheid zou leiden, werd verworpen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar, en verminderde de aanslag. Tevens werd de inspecteur veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht vergoed aan belanghebbende.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vermindert de aanslag wegens het ontbreken van een maatschappelijk ongebruikelijke lening.