ECLI:NL:RBBRE:2008:BC6064
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen recht op aftrek lijfrente bij ruisende inbreng en uitzak in werkmaatschappij
Belanghebbende en zijn vennoot brachten hun aandelen in een vennootschap onder firma ruisend in persoonlijke holdings in, waarbij zij ieder een lijfrente bedongen. Vervolgens werd de onderneming, exclusief het onroerend goed, ingebracht in een gezamenlijke werkmaatschappij tegen uitreiking van aandelenkapitaal en creditering.
De inspecteur weigerde aftrek van de lijfrente omdat niet was voldaan aan artikel 3.126, eerste lid, onderdeel 2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en het Besluit van 7 oktober 2003. De rechtbank oordeelde dat de overdracht aan de werkmaatschappij niet voldeed aan de voorwaarden voor lijfrenteaftrek en dat het beroep op een reëel geval faalde omdat het Besluit een limitatieve opsomming kent.
Belanghebbende voerde ook dwaling aan, stellende dat de fiscale gevolgen niet waren voorzien door een berekeningsfout van de adviseur. De rechtbank verwierp dit omdat partijen geen civielrechtelijke gevolgen aan de dwaling wilden verbinden.
Ten slotte stelde belanghebbende dat alsnog een geruisloze inbreng mogelijk was, maar ook dit werd afgewezen omdat niet aan de standaardvoorwaarden van artikel 3.65 Wet IB 2001 was voldaan. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en aftrek van lijfrente wordt geweigerd.