ECLI:NL:RBBRE:2008:BC5067
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting wegens onvoldoende bewijs schijnconstructie
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 2000 en 2001 opgelegd aan een Nederlandse tuinder die zijn oogst op stam verkocht aan een Poolse vennootschap. De inspecteur stelde dat de contracten met de Poolse vennootschap schijnconstructies waren en dat de winst van de vennootschap aan de tuinder moest worden toegerekend, wat leidde tot navorderingsaanslagen, boetes en heffingsrente.
De rechtbank oordeelt dat het onderzoek naar de Poolse vennootschap een nieuw feit opleverde dat navordering rechtvaardigde. Echter, de inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat de tuinder meer informatie had dan verstrekt en de vertraging rechtvaardigde geen omkering van de bewijslast. De contracten weerspiegelen niet volledig de werkelijke afspraken, maar de constructie was opgezet om tuinders te helpen met oogstpersoneel waarbij de tuinder het belang bij de oogst behield.
Hoewel de winsten van de Poolse vennootschap hoog waren, acht de rechtbank deze niet zo onaannemelijk hoog dat geen zakelijke afspraak ten grondslag kan liggen. De inspecteur heeft onvoldoende bewijs geleverd dat de winst aan de tuinder is toegevloeid. De navorderingsaanslagen, boetes en heffingsrente worden vernietigd. De inspecteur wordt veroordeeld in de proceskosten van de tuinder.
Uitkomst: De navorderingsaanslagen, boetebeschikkingen en heffingsrente worden vernietigd wegens onvoldoende bewijs dat winst van de Poolse vennootschap aan belanghebbende toekwam.