ECLI:NL:RBBRE:2007:BA7400
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanspraak op salarisuitkering voor zorg aan erflaatster in nalatenschap
Verzoeker, een kind van de overleden erflaatster, vordert een som ineens als vergoeding voor langdurige zorg en arbeid in de huishouding van zijn moeder, op grond van artikel 4:36 BW Pro (salaire différé). De nalatenschap omvatte onder meer een woning die aan verzoeker werd geleverd tegen betaling aan verweerder, de andere erfgenaam.
De kantonrechter stelt vast dat de wettelijke regeling primair bedoeld is voor kinderen die onbetaald hebben meegewerkt in het bedrijf of de huishouding van zelfstandige ondernemers, waarbij de nalatenschap door die arbeid niet is verminderd. In deze zaak heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat zijn zorg de nalatenschap heeft verminderd, noch dat hij financieel slechter af is dan zijn mede-erfgenaam. Bovendien was sprake van gezamenlijke huishouding en ondersteuning door thuiszorg.
De kantonrechter concludeert dat de zorg van verzoeker geen aanspraak op een som ineens rechtvaardigt, mede omdat de nalatenschap niet kleiner zou zijn geweest zonder zijn zorg en hij geen inkomensverlies leed. De vordering wordt afgewezen en de kosten worden gecompenseerd, zodat ieder zijn eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van zorg op grond van artikel 4:36 BW wordt afgewezen.