ECLI:NL:RBBRE:2007:AZ9150
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toepassing oudedagsreserve na oplegging navorderingsaanslag inkomstenbelasting
In deze bestuursrechtelijke zaak stond centraal de vraag of belanghebbende, nadat hem een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2002 was opgelegd, alsnog kon doteren aan de oudedagsreserve terwijl hij dit niet had gekozen vóórdat de aanslag onherroepelijk werd.
Belanghebbende stelde dat artikel 3.67, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) dit toelaat, terwijl de inspecteur dit betwistte met het argument dat de keuze voor dotatie bij de aangifte definitief is zodra de aanslag onherroepelijk is geworden.
De rechtbank oordeelde dat de tekst van artikel 3.67 Wet IB 2001 en de gewijzigde fiscale winstbepaling sinds de invoering van deze wet meebrengen dat toevoeging aan de oudedagsreserve ook na oplegging van een navorderingsaanslag mogelijk is. Dit in tegenstelling tot de eerdere regeling onder de Wet IB 1964, waar bij de aangifte moest worden gekozen.
De navorderingsaanslag werd verminderd met € 5.874, het bedrag van de dotatie aan de oudedagsreserve. De rechtbank veroordeelde de inspecteur tevens in de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht werd vergoed.
Uitkomst: De navorderingsaanslag is verminderd en belanghebbende mag alsnog doteren aan de oudedagsreserve na oplegging van de aanslag.