ECLI:NL:RBBRE:2006:BA1591
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling heffing kapitaalsbelasting en strijd met EG-recht
Belanghebbende, een in Nederland gevestigde vennootschap, kreeg een naheffingsaanslag kapitaalsbelasting opgelegd naar aanleiding van emissies van aandelen waarbij de aandeelhouders in België woonachtig zijn. Belanghebbende stelde dat deze heffing in strijd is met het Europese Gemeenschapsrecht, met name de vrijheid van vestiging en het vrije kapitaalverkeer zoals vastgelegd in de artikelen 43 en 56 van het EG-verdrag.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de kapitaalsbelasting is geheven op grond van artikel 32 van Pro de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR), dat het bijeenbrengen van kapitaal in in Nederland gevestigde lichamen belast. De rechtbank concludeerde dat deze nationale regeling niet leidt tot een ongeoorloofd onderscheid op grond van woonplaats, aangezien ook binnen Nederland kapitaalsbelasting wordt geheven over kapitaalstortingen door binnenlandse aandeelhouders.
De rechtbank verwees naar de Richtlijn 69/335/EEG en het arrest van de Hoge Raad van 12 augustus 2005, waarin werd bevestigd dat de nationale regeling in lijn is met het EG-recht. De rechtbank zag geen aanleiding voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie en verwierp het beroep van belanghebbende. De proceskostenveroordeling werd niet toegewezen, en het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag kapitaalsbelasting wordt ongegrond verklaard.