ECLI:NL:RBBRE:2006:AY7856
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Verbod op verplichte geautomatiseerde aanlevering voorraadverloop accijnsgoederenplaats
Belanghebbende, houder van een vergunning accijnsgoederenplaats, werd door de inspecteur verplicht gesteld om het voorraadverloop van accijnsgoederen geautomatiseerd aan te leveren via een door de inspecteur ontwikkeld softwareprogramma (de A-methode). Belanghebbende betwistte deze verplichting en stelde dat zij een adequate eigen administratie voert en dat conversie naar het door de inspecteur gewenste formaat leidt tot verlies van ingebouwde waarborgen.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende in beginsel vrij is om de eigen administratie in te richten en dat de inspecteur niet zonder meer kan eisen dat gegevens via zijn software worden aangeleverd. De rechtbank stelde vast dat de administratie van belanghebbende voldoende inzicht biedt voor controle binnen een redelijke termijn en dat de verplichting tot gebruik van de A-methode onevenredig nadeel oplevert.
De rechtbank concludeerde dat de bevoegdheid van de inspecteur om de wijze van gegevensverstrekking te bepalen zijn grenzen vindt in het evenredigheidsbeginsel en dat de Woda onvoldoende grondslag biedt voor de opgelegde verplichting. Het beroep van belanghebbende werd gegrond verklaard, de aanvullende voorwaarde 9 van de vergunning werd vernietigd en de inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De verplichting tot geautomatiseerde aanlevering van het voorraadverloop via het inspecteursprogramma is vernietigd wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel.