ECLI:NL:RBBRE:2006:AY3617
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Belastingaanslag inkomstenbelasting 2002 bevestigd ondanks stelling afpersing en niet-ingediende aangifte
Belanghebbende exploiteerde een grondverzetbedrijf en was bestuurder en aandeelhouder in meerdere BV's. Voor het jaar 2002 werd hem een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd op een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 415.256 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 31.274.
Belanghebbende had geen volledige aangifte gedaan en stelde dat hij door afpersing vrijwel zijn gehele omzet moest afdragen, waardoor hij niets te verklaren had. De rechtbank oordeelde dat deze stelling niet met bewijs was onderbouwd en dat belanghebbende ten minste enig inkomen uit zijn onderneming had genoten en daarvan aangifte had moeten doen.
De inspecteur had de aanslag ambtshalve vastgesteld op basis van gegevens uit een FIOD-onderzoek en administratie-inzichten. De rechtbank vond de aanslag redelijk gespecificeerd en aannemelijk, onder meer door correcties voor het gebruik van een personenauto en het gebruikelijk loon als directeur.
De rechtbank verwierp het beroep van belanghebbende, oordeelde dat de bewijslast terecht was omgekeerd en dat de aanslag niet te hoog was vastgesteld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 2002 wordt bevestigd.