ECLI:NL:RBBRE:2006:AX0821
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid dochtervennootschappen voor voorlopige aanslag vennootschapsbelasting binnen fiscale eenheid
De rechtbank Breda behandelde een geschil over de aansprakelijkheid van dochtervennootschappen binnen een fiscale eenheid voor een aan de moedermaatschappij opgelegde voorlopige aanslag vennootschapsbelasting over 2003. De holding was in gebreke met betaling omdat geen uitstel van betaling was verleend, ondanks bezwaar en beroep tegen de afwijzing van dat uitstel. De dochtervennootschappen werden hoofdelijk aansprakelijk gesteld op grond van artikel 39 van Pro de Invorderingswet 1990.
Belanghebbende stelde dat de aansprakelijkstelling onrechtmatig was omdat de holding pas later in gebreke was en dat de ontvanger onzorgvuldig had gehandeld door de aansprakelijkstelling te verzenden terwijl er nog bezwaar en beroep liepen. De rechtbank oordeelde dat de holding op het moment van aansprakelijkstelling in gebreke was, omdat de betaaltermijn was verstreken en geen uitstel was verleend. Het bezwaar en het gegrond verklaarde beroep bij de Directeur deden hieraan niet af.
De rechtbank concludeerde dat de ontvanger niet in strijd had gehandeld met de wet of met algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dat de aansprakelijkstelling terecht was. De hoogte van de aanslag was niet in geschil, en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de aansprakelijkstelling van de dochtervennootschappen voor de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting.