ECLI:NL:RBBRE:2006:AV6543
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.G.M. Wouters
- J.P.M. Zeijen
- P.H.J.G. Römers
- Rechtspraak.nl
Onverbindendheid maximering maatmanuren op 38 uur in WAO-uitkeringsberekening
Eiser, een voormalig vrachtwagenchauffeur die wegens een cerebrovasculair accident arbeidsongeschikt werd, maakte bezwaar tegen de intrekking van zijn WAO-uitkering. Centraal stond de vraag of de maximering van de urenomvang van de maatman op 38 uur per week, zoals opgenomen in het Schattingsbesluit 2004, rechtsgeldig was.
De rechtbank analyseerde de wettelijke definitie van arbeidsongeschiktheid in artikel 18 van Pro de WAO en concludeerde dat deze uitgaat van een reële maatman die het werkelijke verlies aan verdiencapaciteit weerspiegelt. De maximering op 38 uur leidt tot een fictieve maatman en daarmee tot een fictief verlies, hetgeen strijdig is met de wet.
De rechtbank oordeelde dat artikel 18, achtste lid, van de WAO onvoldoende grondslag biedt voor deze afwijkende regel en dat de maximeringsbepalingen in het Schattingsbesluit 2004 daarom onverbindend zijn. Het bestreden besluit werd vernietigd, het intrekkingsbesluit herroepen en de WAO-uitkering van eiser herzien naar een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse. Tevens werden proceskosten en griffierecht aan eiser toegewezen.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het intrekkingsbesluit van de WAO-uitkering en herroept dit, waarbij de uitkering wordt herzien naar een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse.