ECLI:NL:RBBRE:2004:AO3469
Rechtbank Breda
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling indicatiebesluit huishoudelijke zorg en advies AWBZ
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het Regionaal Indicatie Orgaan Westelijk Noord-Brabant inzake de indicatie voor huishoudelijke verzorging en advies, instructie en voorlichting (AIV) voor het jaar 2003. Verzoeker stelt dat zijn situatie niet is veranderd ten opzichte van het indicatierapport uit 2002 en dat hij zonder huishoudelijke verzorging geïsoleerd raakt. Hij voert aan dat het afbouwen van medicatie moeizaam verloopt en dat zijn huisarts geen verwijzing noodzakelijk acht.
De voorzieningenrechter overweegt dat het indicatieorgaan een zelfstandig besluit neemt over de zorg waarop een verzekerde is aangewezen, en dat dit besluit appellabel is. Het bestreden besluit handhaaft de indicatie voor huishoudelijke verzorging voor vier uur per week en wijst een indicatie voor persoonlijke verzorging af, waarbij AIV wordt toegekend om het vermogen van verzoeker tot zelfverzorging te vergroten.
De rechtbank acht het niet onjuist dat persoonlijke verzorging niet is geïndiceerd omdat er nog mogelijkheden tot verbetering zijn via revalidatie en behandeling, zoals geadviseerd door de neuroloog en het Rug Advies Centrum. Het vroegtijdig toekennen van persoonlijke verzorging kan antirevaliderend werken. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af, mede omdat het bestreden besluit alleen ziet op het jaar 2003 en er nog geen besluit is over zorg in 2004.
Uitkomst: Het beroep tegen het indicatiebesluit wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.