ECLI:NL:RBASS:2001:AB3681
Rechtbank Assen
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen verbod nevenwerkzaamheden ambtenaar als belegger
Verzoeker, werkzaam als administratief medewerker bij de Belastingdienst, verrichtte sinds 1996 beleggingen voor zichzelf en vanaf 1999 ook voor vrienden, kennissen en collega’s. Verweerder verbood hem per 1 juli 2001 deze nevenwerkzaamheden op grond van artikel 61, derde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), vanwege mogelijke belangenverstrengeling en aantasting van de integriteit.
Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de rechtbank om een voorlopige voorziening. Hij stelde dat het verbod onterecht was omdat zijn werkzaamheden beperkt waren, geen gebruik werd gemaakt van vertrouwelijke informatie en hij geen schade voor de dienst zou veroorzaken. Verweerder betoogde dat het verbod terecht was vanwege het grote belegd vermogen, de omvang van de activiteiten en het risico op belangenverstrengeling.
De rechtbank oordeelde dat het verbod terecht was en dat er geen sprake was van spoedeisend belang voor een voorlopige voorziening. De nevenwerkzaamheden werden aangemerkt als het drijven van handel met winstbejag, niet van geringe omvang, en het risico op belangenverstrengeling was reëel. Verweerder had onvoldoende gemotiveerd waarom geen voorwaarden aan de nevenwerkzaamheden gesteld konden worden, maar dit kon in de bezwaarprocedure worden hersteld.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen zonder proceskostenveroordeling. De uitspraak benadrukt het belang van integriteit en onafhankelijkheid bij ambtenaren en het voorkomen van belangenverstrengeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het verbod op nevenwerkzaamheden als belegger voor derden wordt afgewezen.