ECLI:NL:RBARN:2011:BQ7672
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- T.A. Willems-Dijkstra
- H.J. Klein Egelink
- I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
- Rechtspraak.nl
Beoordeling medeterugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
De rechtbank Arnhem behandelde een zaak over de medeterugvordering van bijstand die aan [naam] was verstrekt, waarbij verweerder ook eiser aansprak op grond van gezamenlijke huishouding. Het geschil betrof de vraag of eiser zijn hoofdverblijf had bij [naam] in de perioden 1 januari 1999 tot 10 maart 2003 en 9 maart 2005 tot 23 juli 2009.
Uit het onderzoek, waaronder getuigenverklaringen en dossieronderzoek, bleek onvoldoende feitelijke grondslag voor gezamenlijke huishouding in de eerste periode. De verklaringen van buurtbewoners waren te algemeen en niet concreet genoeg om het hoofdverblijf van eiser bij [naam] aan te nemen. Daarom was terugvordering over deze periode onrechtmatig.
Voor de periode na 9 maart 2005, na elektronische detentie van eiser, was wel voldoende bewijs dat eiser zijn hoofdverblijf bij [naam] had. Getuigenverklaringen en verklaringen van [naam] ondersteunden dit. De rechtbank concludeerde dat eiser en [naam] vanaf die datum een gezamenlijke huishouding voerden en dat verweerder bevoegd was de bijstand mede van eiser terug te vorderen.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor het deel over 1999-2003 en gaf verweerder zes weken om het besluit te herstellen met een aangepaste terugvordering. Hoger beroep kon alleen samen met de einduitspraak worden ingesteld.
Uitkomst: De rechtbank beperkt de medeterugvordering tot de periode 9 maart 2005 tot 23 juli 2009 en vernietigt het besluit voor de eerdere periode wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding.