ECLI:NL:RBARN:2011:BQ6677
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over vrijval herinvesteringsreserves en hoorplicht in vennootschapsbelastingzaak
De rechtbank Arnhem behandelde meerdere beroepen van negen vennootschappen die per 1 januari 2004 waren gefuseerd tot [X] BV tegen aanslagen vennootschapsbelasting over 2003. Centraal stond de vraag of herinvesteringsreserves die ultimo 2003 bestonden, terecht tot de winst waren gerekend omdat geen tijdige herinvestering had plaatsgevonden.
De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van schending van de hoorplicht omdat eiseres uitdrukkelijk van het recht op horen had afgezien. Ook was geen sprake van behandeling door een onbevoegde ambtenaar. De rechtbank stelde vast dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij in 2003 verplichtingen was aangegaan tot vervangende investeringen of dat bijzondere omstandigheden een termijnverlenging rechtvaardigden.
Verder kon eiseres geen vertrouwen ontlenen aan correspondentie uit 2003 over termijnverlenging. Ook was geen bindend compromis bereikt over de afwikkeling van de herinvesteringsreserves, waarbij het toepasselijke artikel 15e Wet Vpb buiten werking zou zijn gesteld. De rechtbank concludeerde dat verweerder de reserves terecht tot de winst had gerekend en verklaarde de beroepen ongegrond.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen tegen de aanslagen vennootschapsbelasting 2003 ongegrond en handhaaft de vrijval van de herinvesteringsreserves.