Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
Arnhemvan 30 October 1960 in zake den haar voor het jaar 1958 opgelegden aanslag in de vennootschapsbelasting;
Hoge Raad
Belanghebbende had in 1956 grond gekocht en opdrachten verstrekt aan een architect en adviseurs voor het ontwerp van een nieuw bedrijfsgebouw, met de aanbesteding en bouwvergunning respectievelijk op 7 en 18 december 1956. De investeringsaftrek werd voor de jaren 1956 en 1957 toegekend, maar voor 1958 geweigerd.
Het Hof had geoordeeld dat de kosten van architect en adviseurs pas als voortbrengingskosten konden worden beschouwd op het moment van aanbesteding, en dat de grond als ongebouwd eigendom geen investeringsaftrek rechtvaardigde. Belanghebbende stelde cassatie in tegen deze uitleg van de wet.
De Hoge Raad stelde vast dat de verplichtingen jegens architect en adviseurs wel degelijk deel uitmaken van het geheel van prestaties voor het bedrijfsmiddel en dat investeringsaftrek ook voor de aankoop van de grond moet worden toegepast, omdat deze grond direct onderdeel vormt van het bedrijfsmiddel in samenhang met het gebouw.
De uitspraak van het Hof en de beschikking van de Inspecteur werden vernietigd en de aanslag werd verminderd tot een belastbaar bedrag van f. 71.505,-.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en bepaalt dat investeringsaftrek moet worden toegepast op de verplichtingen voor aankoop grond en architectkosten die vóór 6 november 1956 zijn aangegaan.