ECLI:NL:RBARN:2011:BP1095
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters meervoudige strafkamer rechtbank Arnhem
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen twee rechters van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Arnhem. Hij stelde dat de voorzitter hem vooringenomen had behandeld tijdens een strafzaak, onder meer door een vermeende denigrerende opmerking en de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf. Tevens stelde hij dat de rechters partijdig waren omdat zij ook betrokken waren bij de behandeling van een ontnemingsvordering tegen hem.
De wrakingskamer beoordeelde eerst de ontvankelijkheid van het verzoek. Het verzoek met betrekking tot de vermeende opmerking was niet tijdig ingediend, waardoor verzoeker daarop niet-ontvankelijk werd verklaard. Het verzoek dat betrekking had op de betrokkenheid van de rechters bij de ontnemingsvordering werd wel ontvankelijk verklaard, omdat verzoeker pas later van die betrokkenheid op de hoogte was.
Inhoudelijk oordeelde de wrakingskamer dat het enkele feit dat de rechters eerder een strafzaak tegen verzoeker hadden behandeld en een gevangenisstraf hadden opgelegd, geen reden was om aan te nemen dat zij vooringenomen waren. Er waren geen uitzonderlijke omstandigheden die een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid rechtvaardigden. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen.
De beslissing werd op 17 januari 2011 door de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Arnhem uitgesproken en schriftelijk vastgelegd.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters van de meervoudige strafkamer werd afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid en gebrek aan gegronde vooringenomenheid.