ECLI:NL:RBARN:2010:BP0931
Rechtbank Arnhem
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vorderingen farmaceuten tegen preferentiebeleid zorgverzekeraar Uvit
De zaak betreft een geschil tussen farmaceuten AstraZeneca en GlaxoSmithKline en de zorgverzekeraar Uvit over het preferentiebeleid voor geneesmiddelen met werkzame stoffen budesonide, formoterol en salbutamol. De farmaceuten vorderen dat Uvit wordt verboden dit beleid toe te passen en aanwijzingen van preferente geneesmiddelen herroept, omdat dit beleid volgens hen onrechtmatig is en leidt tot zorgversobering en schade.
De rechtbank stelt vast dat het preferentiebeleid gebaseerd is op artikel 2.8 Besluit zorgverzekering en dat Uvit dit beleid sinds 2005 voert, waarbij zij per werkzame stof één of meerdere geneesmiddelen aanwijst voor vergoeding. De farmaceuten betogen dat het beleid niet is toegestaan omdat de geneesmiddelen niet volledig gelijkwaardig zijn en dat Uvit zich niet aan haar eigen procedure heeft gehouden.
De rechtbank oordeelt dat het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW Pro niet is vervuld, omdat artikel 2.8 Besluit zorgverzekering primair de belangen van verzekerden en zorgverzekeraars beschermt en niet de commerciële belangen van farmaceuten. De farmaceuten hebben onvoldoende concrete feiten gesteld waaruit blijkt dat het besluit mede hun belangen beschermt. Ook is onvoldoende onderbouwd dat Uvit onrechtmatig heeft gehandeld door het preferentiebeleid toe te passen of door de procedure te schenden.
De vorderingen worden daarom afgewezen. De farmaceuten worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van Uvit. Het vonnis is gewezen door rechter Boonekamp en uitgesproken op 17 december 2010.
Uitkomst: De vorderingen van de farmaceuten worden afgewezen wegens niet voldoen aan het relativiteitsvereiste en onvoldoende onderbouwing van onrechtmatigheid.