ECLI:NL:RBARN:2010:BN2278
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.C.G.J. van Well
- P.J. Tikken
- A.P. Vaatstra
- Rechtspraak.nl
Vermindering boetes wegens overschrijding redelijke termijn bij navorderingsaanslagen buitenlandse bankrekening
Eiser hield een bankrekening aan in Zwitserland die niet was opgegeven in zijn belastingaangiften over de jaren 1994 tot en met 2004. Verweerder legde navorderingsaanslagen en boetes op wegens het niet opgeven van deze buitenlandse vermogensbestanddelen. Eiser stelde dat de verlengde navorderingstermijn onterecht was toegepast, dat sprake was van vrijwillige verbetering en dat het nemo tenetur-beginsel was geschonden.
De rechtbank stelde vast dat verweerder vanaf medio 2005 beschikte over aanwijzingen van het buitenlandse vermogen en dat hij daarna met voldoende voortvarendheid handelde. De periode tussen het verzoek om informatie en het aanleveren van stukken door eiser kon niet aan verweerder worden toegerekend. De verlengde navorderingstermijn werd daarom toegestaan.
Verder oordeelde de rechtbank dat geen sprake was van vrijwillige verbetering omdat eiser na ontvangst van het verzoek om informatie redelijkerwijs moest vermoeden dat verweerder op de hoogte was van de onjuistheden. Ook was geen schending van het nemo tenetur-beginsel, aangezien de stukken die eiser aanleverde al buiten zijn toedoen bekend waren bij verweerder en er geen sprake was van onrechtmatige dwang.
De boetes waren passend en geboden, maar vanwege een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan anderhalf jaar werd een matiging van 20% toegepast. De beroepen tegen de navorderingsaanslagen, boetes en heffingsrente werden deels gegrond verklaard, deels ongegrond. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: De rechtbank matigt de boetes wegens overschrijding van de redelijke termijn met 20% en verklaart de beroepen deels gegrond en deels ongegrond.