ECLI:NL:RBARN:2009:BK7909

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
9 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
188699
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 RvArt. 73 RvArt. 820 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzet tegen verstekbeschikking echtscheiding wegens onjuist rechtsmiddel

In deze zaak vordert eiser ontheffing van de veroordeling bij verstek in een echtscheidingsprocedure waarin hij niet is verschenen en geen verweer heeft gevoerd. Eiser stelt dat hij in verzet komt tegen de verstekbeschikking. De rechtbank oordeelt dat tegen een verstekbeschikking geen verzet mogelijk is, maar slechts hoger beroep, conform artikel 820 Rv Pro.

Hoger beroep had bij het gerechtshof Arnhem moeten worden ingesteld en bovendien bij verzoekschrift, niet bij dagvaarding. Hoewel artikel 69 Rv Pro herstel van het verkeerde procesmiddel mogelijk maakt en artikel 73 Rv Pro verwijzing naar de bevoegde rechter toestaat, bestaat er geen rechtsregel die het mogelijk maakt het ingediende verzet te converteren in het niet ingestelde hoger beroep.

De rechtbank verklaart eiser niet ontvankelijk in het ingestelde verzet en veroordeelt hem in de proceskosten, begroot op € 452,- voor salaris advocaat aan de zijde van gedaagde. De rechtbank is niet onbevoegd; het geschil betreft een procedurele fout van eiser.

Uitkomst: Eiser wordt niet ontvankelijk verklaard in het verzet tegen de verstekbeschikking en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ARNHEM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 188699 / HA ZA 09-1481
Vonnis van 9 december 2009
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
advocaat mr. A.J. de Bie,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat mr. S. Vermeulen.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord houdende incidentele
conclusie tot onbevoegdverklaring
- de akte niet dienen aan de zijde van eiser.
1.2. Vervolgens is vonnis bepaald
2. Het geschil en de beoordeling daarvan
2.1 [eiser] vordert dat de rechtbank hem zal ontheffen van de veroordeling bij verstek van de beschikking van deze rechtbank van 7 augustus 2008, met veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan hem van bedragen als in de dagvaarding worden genoemd. De desbetreffende beschikking is een echtscheidingbeschikking gewezen in een echtscheidingsprocedure tussen [gedaagde] en [eiser] waarin [eiser] geen verweer heeft gevoerd en niet is verschenen. [eiser] stelt in de dagvaarding dat hij in verzet komt tegen deze ‘bij verstek’ gewezen beschikking. Terecht stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat tegen deze beschikking geen verzet mogelijk is, maar slechts hoger beroep. Dat volgt uit art. 820 Rv Pro in welke bepaling is geregeld binnen welke termijn de in eerste aanleg niet verschenen echtgenoot hoger beroep kan instellen. Hoger beroep had bij het gerechtshof te Arnhem moeten worden ingesteld en bovendien bij verzoekschrift en niet bij dagvaarding. Dat laatste zou op de voet van art. 69 Rv Pro nog wel recht te zetten zijn, terwijl ook verwijzing op de voet van art. 73 Rv Pro naar een wel bevoegde hogere gewone rechter op zichzelf wel mogelijk zou zijn. Maar er is, ook in het huidige procesrecht, geen rechtsregel op grond waarvan de rechter bij wie ten onrechte het niet openstaande rechtsmiddel verzet is ingesteld dat rechtsmiddel zou kunnen converteren in het wel openstaande maar niet ingestelde rechtsmiddel hoger beroep, met verwijzing naar de rechter die bevoegd zou zijn van het hoger beroep kennis te nemen (vgl. HR 17 januari 1992 NJ 1992, 263).
2.2 Het voorgaande voert tot de conclusie dat niet de rechtbank onbevoegd is, maar dat [eiser] niet ontvankelijk moet worden verklaard in het door hem ingestelde verzet. Als de in het ongelijk gestelde partij zal hij in de kosten worden veroordeeld.
3. De beslissing
De rechtbank
in het incident en in de hoofdzaak:
verklaart [eiser] niet ontvankelijk,
veroordeelt van den Heuvel in de kosten van de procedure, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 452,- voor salaris advocaat.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2009.