ECLI:NL:RBARN:2009:BK1781
Rechtbank Arnhem
- Kort geding
- N.W. Huijgen
- Rechtspraak.nl
Geldigheid en handhaving van een niet-geografisch begrensd concurrentiebeding in franchiseovereenkomst
Bruna vordert in kort geding dat gedaagden, bestaande uit twee besloten vennootschappen en een natuurlijk persoon, worden verboden om binnen één jaar na afloop van de franchiseovereenkomst een concurrerende onderneming te exploiteren vanuit dezelfde locatie. De kern van het geschil betreft de geldigheid van het concurrentiebeding dat geografisch niet is begrensd.
De rechtbank stelt vast dat het concurrentiebeding ten tijde van de totstandkoming van de franchiseovereenkomst op 2 maart 1999 viel onder de Groepsvrijstellingsverordening franchiseovereenkomsten en daarmee niet in strijd was met artikel 6 van Pro de Mededingingswet. Hoewel het beding thans niet voldoet aan de voorwaarden van de latere Groepsvrijstellingsverordening verticalen, is conversie in een bodemprocedure mogelijk.
De rechtbank oordeelt dat Bruna gedaagden voorlopig kan houden aan het concurrentiebeding en wijst de vordering toe tot een verbod voor gedaagden om tot 1 augustus 2010 vanuit de voormalige franchiselocatie betrokken te zijn bij een concurrerende onderneming. Tevens wordt een gematigde dwangsom opgelegd en worden de proceskosten aan de zijde van Bruna toegewezen.
Uitkomst: Gedaagden worden verboden om tot 1 augustus 2010 vanuit de voormalige franchiselocatie betrokken te zijn bij een concurrerende onderneming, met een gematigde dwangsom.