ECLI:NL:RBARN:2008:BE9164
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen arbeidsovereenkomst bij huur kappersstoel ondanks rechtsvermoeden
Eiseres huurde een kappersstoel van de VOF en verrichtte werkzaamheden als kapster. Na beëindiging van de huurovereenkomst stelde zij dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst. De VOF betwistte dit en stelde dat eiseres zelfstandig ondernemer was.
De kantonrechter stelde vast dat het rechtsvermoeden van art. 7:610a BW van toepassing was omdat eiseres gedurende drie opeenvolgende maanden tegen beloning arbeid had verricht. Hierdoor rustte de bewijslast op de VOF om te bewijzen dat er geen arbeidsovereenkomst was.
Uit de beoordeling van de criteria van art. 7:610 BW Pro bleek dat eiseres wel loon ontving, maar dat er geen gezagsverhouding bestond. Partijen hadden de bedoeling een huurovereenkomst aan te gaan, hetgeen bleek uit e-mails, de huurovereenkomst en het feit dat eiseres als zelfstandige werd beschouwd en een boekhouder had geraadpleegd.
Eiseres bepaalde haar werktijden zelf, werd niet verplicht aanwezig te zijn, en had geen instructies van de VOF. Ook de maatschappelijke positie van partijen bevestigde het ontbreken van een arbeidsovereenkomst. De overige vorderingen van eiseres, gebaseerd op het bestaan van een arbeidsovereenkomst, werden daarom afgewezen.
Uitkomst: De kantonrechter oordeelt dat geen arbeidsovereenkomst bestond tussen eiseres en de VOF en wijst de vordering af.