ECLI:NL:RBARN:2008:BD2665
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.P. van Baaren
- V.M. van Daalen-Mannaerts
- A.J.H. van Suilen
- Rechtspraak.nl
Nietigheid naheffingsaanslag overdrachtsbelasting en toepassing inbrengvrijstelling afgewezen
Eiseres, een commanditaire vennootschap zonder aandelenkapitaal, werd geconfronteerd met een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting en een vergrijpboete wegens het niet toepassen van de inbrengvrijstelling uit artikel 15, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR). De rechtbank onderzocht of het ontbreken van vermelding van het heffingsmoment en het belastbaar feit op de naheffingsaanslag tot nietigheid leidt, en oordeelde dat dit niet het geval is omdat uit de correspondentie duidelijk blijkt wanneer het belastbare feit zich heeft voorgedaan.
De kern van het geschil betrof de vraag of [A] als vennoot deel uitmaakte van de commanditaire vennootschap en of sprake was van een actieve samenwerking met het oogmerk voordeel te behalen en te delen. De rechtbank stelde vast dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een duurzame samenwerking was, mede gezien het feit dat [A] in staat van faillissement verkeerde en slechts een vaste rentevergoeding ontving zonder risico te lopen op waardeveranderingen van het onroerend goed. De rechtbank concludeerde dat de structuur feitelijk neerkwam op een verkoop van het onroerend goed aan de C.V.
De rechtbank verwierp het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, en oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag was opgelegd. Ook de opgelegde vergrijpboete werd als passend en geboden beoordeeld, aangezien eiseres zich bewust was van het risico dat te weinig belasting werd betaald. Het beroep tegen de naheffingsaanslag en de boete werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De naheffingsaanslag overdrachtsbelasting en de vergrijpboete worden gehandhaafd; het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard.