Art. 8 Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 3.34 Wet inkomstenbelasting 2001Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving d.d. 14 augustus 2001Besluit subsidies regionale investeringsprojecten 2000Artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Geen toekenning willekeurige afschrijving wegens ontbreken initiële investering en netto werkgelegenheidstoename
Eiseres, een internationale groothandel, had in 2001 een grootscheepse verbouwing van haar bedrijfspand uitgevoerd en wilde een willekeurige afschrijving toepassen op deze investering. Verweerder legde een aanslag vennootschapsbelasting op en handhaafde deze bij bezwaar, waarna eiseres beroep instelde.
De kern van het geschil betrof de vraag of de investering kwalificeerde als een initiële investering volgens de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving, hetgeen noodzakelijk is voor toepassing van de faciliteit. De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van een initiële investering, omdat er geen nettoverhoging van het aantal arbeidsplaatsen was en eiseres niet voldeed aan de voorwaarden voor een fundamentele wijziging in product of productieproces.
De rechtbank verwees naar Europese richtsnoeren die regionale steun beperken tot initiële investeringen, waaronder de oprichting, uitbreiding of fundamentele wijziging van een vestiging. De door eiseres gestelde wijziging in activiteiten was onvoldoende onderbouwd om als fundamentele wijziging te gelden.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem binnen zes weken.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard omdat geen initiële investering en nettoverhoging van arbeidsplaatsen is vastgesteld.
Uitspraak
RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 06/3137
Uitspraakdatum: 7 mei 2007
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[X], gevestigd te [Z],
gemachtigde mr. [A]
eiseres,
en
de inspecteur van de Belastingdienst/[P], verweerder.
1. Ontstaan en loop van het geding
Verweerder heeft met dagtekening 6 augustus 2005 aan eiseres een aanslag vennootschapsbelasting 2001 (aanslagnummer [V.16]) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 713.722.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 24 april 2006 de aanslag gehandhaafd.
Eiseres heeft daartegen bij brief van 29 mei 2006, ontvangen bij de rechtbank op 30 mei 2006, beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2007 te Arnhem.
Namens eiseres is daar verschenen mr. [A], bijgestaan door [B]. Namens verweerder is verschenen mr. [C], bijgestaan door [D]. Zowel eiseres als verweerder heeft een pleitnota overgelegd en voorgedragen.
2. Feiten
Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.
De bedrijfsactiviteiten van eiseres bestaan uit de exploitatie van een internationale groothandel in bloemisterij-artikelen, huishoudelijke artikelen en souvenirs.
In 2001 heeft een grootscheepse verbouwing plaatsgevonden aan het bedrijfspand van eiseres gelegen aan de [A straat 1] te [Z]. De totale kosten hiervan bedragen
€ 1.193.098.
In de aangifte vennootschapsbelasting 2001 heeft eiseres een bedrag van € 596.549 (zijnde 50% van het totale investeringsbedrag) aan ‘willekeurige afschrijving nieuwe gebouwen in aangewezen regio’s’ opgenomen.
3. Geschil
Tussen partijen is in geschil of eiseres op de investering in het bedrijfspand de faciliteit van de willekeurige afschrijving kan toepassen. Deze vraag beantwoordt eiseres bevestigend en verweerder ontkennend.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres voldoet aan alle formele vereisten voor toepassing van voornoemde faciliteit. Het geschil spitst zich dan ook toe op de vraag of met betrekking tot de investering door eiseres sprake is van een zogenoemde initiële investering zoals omschreven in de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving d.d. 14 augustus 2001, WDB 2001/441, VN 2001/44.9 (hierna: de Regeling).
Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede hetgeen zij daar ter zitting aan hebben toegevoegd.
4. Beoordeling van het geschil
Algemeen
Op grond van artikel 8 vanPro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt de winst onder meer opgevat en bepaald op de voet van artikel 3.34 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet).
Ingevolge artikel 3.34 van de Wet kan over de aanschaffings- of voortbrengingskosten van bij regeling aangewezen bedrijfsmiddelen willekeurig worden afgeschreven indien de bedrijfsmiddelen van belang zijn voor de ontwikkeling van aangewezen gebieden met een zwakke economische structuur. Eén en ander is nader uitgewerkt in de Regeling.
In de toelichting op de Regeling is onder meer het volgende opgenomen:
“(…). Europeesrechtelijke beperkingen
Met het toepassingsgebied van de regeling willekeurige afschrijving nieuwe gebouwen in aangewezen regio's wordt onder meer aangesloten bij de Richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 10 maart 1998 (PbEG C 74/06, hierna: de Richtsnoeren). Daaruit vloeit voort dat regionale steun is toegestaan voor een initiële investering waaronder wordt verstaan een investering in vast kapitaal ten behoeve van de oprichting van een nieuwe vestiging, de uitbreiding van een bestaande vestiging, of het starten van een activiteit die een fundamentele wijziging in het product of in het productieproces van een bestaande vestiging meebrengt (door rationalisering, herstructurering of modernisering). Voor een vervangingsinvestering is willekeurige afschrijving derhalve niet mogelijk.
(…).”
In onderdeel 4 van de Richtsnoeren is onder meer het volgende bepaald.
“4. doel, aard en hoogte van de steunverlening
4.1. regionale steun heeft ofwel productieve investeringen (initiële investering), ofwel de schepping van werkgelegenheid die met de investering verband houdt, ten doel. Daarbij wordt noch de factor kapitaal noch de factor arbeid bevoordeeld.
[…]
steun voor initiële investering
4.4. onder initiële investering wordt verstaan, een investering in vast kapitaal ten behoeve van de oprichting van een nieuwe vestiging, de uitbreiding van een bestaande vestiging, of het starten van een activiteit die een fundamentele wijziging in het product of in het productieproces van een bestaande vestiging meebrengt (door rationalisering, herstructurering of modernisering).
[…]
werkgelegenheidssteun
4.11. zoals in punt 4.1 is opgemerkt, kan ook regionale steun worden verleend voor de schepping van werkgelegenheid. Maar in tegenstelling tot de steun voor de schepping van werkgelegenheid als bedoeld in de richtsnoeren betreffende werkgelegenheidssteun (die betrekking heeft op arbeidsplaatsen die geen verband houden met een investering), gaat het hier uitsluitend om arbeidsplaatsen die met de verwezenlijking van een initiële investering verband houden.
4.12. onder schepping van werkgelegenheid wordt verstaan de nettoverhoging van het aantal arbeidsplaatsen bij de vestiging in vergelijking tot het gemiddelde van een referentieperiode. Zo dient van het ogenschijnlijk aantal gecreëerde arbeidsplaatsen tijdens de betrokken periode het aantal tijdens diezelfde periode eventueel weggevallen arbeidsplaatsen te worden afgetrokken.
[…].”
Partijen zijn het erover eens dat in het onderhavige geval geen sprake is van een oprichting van een nieuwe vestiging, zodat de rechtbank slechts dient te beoordelen of sprake is van een uitbreiding van een bestaande vestiging dan wel of sprake is van het starten van een activiteit die een fundamentele wijziging in het produkt of het produktieproces is.
Uitbreiding van een bestaande vestiging
Vooropgesteld dient te worden dat op grond van Europeesrechtelijke jurisprudentie bij een uitbreiding van een bestaande vestiging in de zin van de Richtsnoeren, in ieder geval sprake dient te zijn van een daadwerkelijk uitbreiding van het aantal arbeidsplaatsen (vergelijk Beschikking van de Commissie van 22 december 1999, 2000/795/EG, Publicatieblad nr. L. 318 van 16 december 2000, pag. 36-61).
Eiseres stelt zich op het standpunt dat door de investering nieuwe arbeidsplaatsen zijn ontstaan die zijn vervuld door personeelsleden die anders – indien de investering niet zou hebben plaatsgevonden – wellicht ontslagen hadden dienen te worden. Per saldo is dan ook sprake van uitbreiding van de werkgelegenheid.
Eiseres gaat hierbij echter voorbij aan de omstandigheid dat bij uitbreiding van de werkgelegenheid sprake dient te zijn van een nettoverhoging van het aantal arbeidsplaatsen zoals nader omschreven in onderdeel 4.12 van de Richtsnoeren. Een zodanige nettoverhoging is bij eiseres niet aan de orde zodat reeds om die reden geen sprake is van uitbreiding van de bestaande vestiging.
Fundamentele wijziging in het produkt of het produktieproces
Artikel 1, onderdeel e, van het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten 2000 van 22 augustus 2000 (Staatsblad 2000, 354) bepaalt dat onder een fundamenteel wijzigingsproject dient te worden verstaan een fundamentele wijziging in het product of productieproces.
In de Nota van Toelichting bij voornoemd artikel is hieromtrent het volgende opgemerkt.
“[…]. Met de definitie van fundamanteel wijzigingsproject, onderdeel e, wordt aangesloten bij de Richtsnoeren. Het moet daarbij gaan om bedrijven die een pijler vormen van de regionale economie, die een majeure investering doen en die in de regio van vestiging aanzienlijke werkgelegenheid bieden in de vorm van ten minste 400 arbeidsplaatsen. […]. In de praktijk zal een fundamentele wijziging doorgaans de vorm hebben van een zogenoemde “scrap & build” investering, waarbij de bestaande productiemiddelen worden ontmanteld om plaats te maken voor nieuwe duurzame bedrijfsuitrusting die voldoet aan de laatste stand der techniek of productie conform de laatste producteisen mogelijk maakt. […].”
De bewijslast dat sprake is van een fundamentele wijziging in het product of productieproces zoals hiervoor omschreven rust op eiseres. Eiseres stelt zich op het standpunt dat in de huidige situatie – waarbij sprake is van het tonen van onder meer themacollecties en eigen productlijnen ten behoeve van grote landelijke afnemers – ten opzichte van de oude situatie – waarbij restpartijen in Duitsland werden opgekocht en verkocht aan handelaren – sprake is van een wijziging in het product en productieproces.
Naar het oordeel van de rechtbank maakt eiseres hiermee niet aannemelijk dat zij voldoet aan de in de Nota van Toelichting opgesomde voorwaarden. Hieruit volgt dat geen sprake is van een fundamentele wijziging in het product of productieproces. De omstandigheid dat in de belevingswereld van eiseres sprake is van een wijziging in activiteiten in de bedrijfsvoering van eiseres, kan niet tot een ander oordeel leiden.
Op grond van het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
5. Proceskosten
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
6. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 7 mei 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.M.F. Geerling, voorzitter, mr. L.B.M. Klein Tank en
mr. M.C.G.J. van Well, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Munniks, griffier.
De griffier, De voorzitter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;