ECLI:NL:RBARN:2005:AU4345
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Nietigheid aandelenlease-overeenkomst en matiging gevolgen op grond van redelijkheid en billijkheid
In deze zaak stond de geldigheid van een aandelenlease-overeenkomst tussen Dexia Bank N.V. en de gedaagde centraal. Dexia's rechtsvoorgangster beschikte ten tijde van het aangaan van de overeenkomst niet over de vereiste vergunning als bedoeld in art. 9 WCK Pro, waardoor de overeenkomst nietig is wegens strijd met een dwingende wetsbepaling.
De rechtbank benadrukte dat deze nietigheid niet vernietigbaar is, omdat de vergunningseis niet uitsluitend de bescherming van een van de partijen beoogt, maar ook het algemeen belang dient. Dit volgt uit de parlementaire geschiedenis van de WCK en het bredere doel om een ordelijke financiële markt te waarborgen.
Door de nietigheid vervalt de rechtsgrond voor de wederzijdse prestaties met terugwerkende kracht, waardoor betalingen als onverschuldigd dienen te worden terugbetaald. Normaal gesproken zouden de aandelen voor rekening van Dexia blijven en zou Dexia niets meer van de gedaagde kunnen vorderen.
Echter, de rechtbank vond het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Dexia volledig nadeel zou ondervinden van de nietigheid, vooral omdat de waarde van de aandelen bij het expireren van de overeenkomst lager was dan de ter beschikking gestelde geldsom. Daarom werd op grond van art. 6:278 lid 2 BW Pro bepaald dat partijen ieder de helft van de restschuld dragen.
De kantonrechter veroordeelde de gedaagde tot betaling van een gematigd bedrag, vermeerderd met rente, en compenseerde de proceskosten zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van een gematigde restschuld en rente, met proceskostenverdeling waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.