ECLI:NL:RBARN:2004:AR3049
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot opheffing erfdienstbaarheid bouwverbod en onrechtmatig handelen
In deze zaak staat centraal of [Z] een exclusief recht heeft om de erfdienstbaarheid die een bouwverbod inhoudt op te heffen. [V] vordert dat wordt vastgesteld dat [Z] geen bevoegdheid heeft om beslissingen te nemen over het opheffen van deze erfdienstbaarheid en dat deze reeds is opgeheven door een onderhandse akte. Tevens vorderen zij schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van [Z].
De rechtbank maakt onderscheid tussen de obligatoire overeenkomst waarin de eigenaar van het heersende erf zich verplicht afstand te doen van de erfdienstbaarheid, en de goederenrechtelijke rechtshandeling waarmee de erfdienstbaarheid daadwerkelijk wordt opgeheven. Uit de vaststellingsovereenkomst blijkt dat [Z] alleen een verplichting van [E] en haar rechtsopvolgers bedongen heeft om mee te werken aan opheffing indien zij het dienende erf verkrijgen, maar dit geeft geen exclusief recht tot opheffing.
De rechtbank oordeelt dat de opheffing van het bouwverbod rechtsgeldig heeft plaatsgevonden door [G], eigenaar van het heersend erf, en dat [Z] geen recht heeft om dit te verhinderen. Het onrechtmatig gedrag van [Z], waaronder het belemmeren van verkoop en bouw, leidt tot een veroordeling tot schadevergoeding. De vorderingen van [Z] in reconventie worden afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat [Z] geen exclusief recht heeft tot opheffing van het bouwverbod en veroordeelt hen tot schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen.