ECLI:NL:RBARN:2004:AQ5085
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bewijslastomkering door ontbreken CTG en onvoldoende verslaglegging bij baring met mogelijke foetale nood
In deze civiele zaak vordert Y namens zichzelf en haar zoon Z vergoeding wegens vermeende tekortkomingen in de medische zorg tijdens de baring in het ziekenhuis Gelderse Vallei. Het geschil draait om het ontbreken van het CTG en de onvoldoende verslaglegging daarvan, waardoor Y niet kan bewijzen dat de zorg niet adequaat was.
Deskundigenrapporten bevestigen dat het ontbreken van het CTG en de beoordelingsverslagen een toerekenbare tekortkoming oplevert volgens de normen van 1995. Er waren signalen van mogelijke foetale nood, zoals late deceleraties en meconiumhoudend vruchtwater, die onvoldoende zijn beoordeeld en gedocumenteerd. De arts-assistent heeft de baring begeleid zonder frequent overleg met de achterwacht.
De rechtbank concludeert dat de bewijslast omgekeerd moet worden: W en de Stichting moeten aantonen dat de foetale conditie adequaat is bewaakt en dat er geen sprake was van foetale nood die eerder ingrijpen vereiste. Omdat zij dit niet concreet hebben onderbouwd, wordt aangenomen dat zij tekort zijn geschoten. Voorts wordt voorshands causaal verband aangenomen tussen deze tekortkomingen en de hersenbeschadiging van Z.
De rechtbank wijst een nader deskundigenonderzoek toe om tegenbewijs te leveren over het causaal verband. De zaak wordt aangehouden voor verdere procedure en uitlatingen over de deskundigen en onderzoeksvragen. Hoger beroep is pas mogelijk na het eindvonnis.
Uitkomst: Bewijslast wordt omgekeerd wegens ontbreken CTG; W en Stichting moeten bewijzen dat zorg adequaat was; voorshands aannemelijk dat tekortkomingen hebben geleid tot hersenbeschadiging Z.