ECLI:NL:RBARN:2004:AO2843

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
30 januari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 03/1217
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:672 BWArt. 16 WWArt. 8:73 AwbArt. 8:74 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit fictieve opzegtermijn WW-uitkering wegens strijd met wettelijke opzegtermijn

Eiser was sinds 1 januari 2000 in dienst van X B.V. met een arbeidsovereenkomst waarin een opzegtermijn van twee maanden voor eiser was opgenomen, maar geen opzegtermijn voor de werkgever. De arbeidsovereenkomst werd ontbonden per 31 december 2002. Verweerder (UWV) besloot dat eiser tot 3 maart 2003 geen recht had op WW-uitkering, uitgaande van een fictieve opzegtermijn van vier maanden voor de werkgever.

De rechtbank oordeelt dat de arbeidsovereenkomst geen schriftelijke verlenging van de wettelijke opzegtermijn voor de werkgever bevatte, waardoor de wettelijke termijn van één maand geldt. De door verweerder gehanteerde fictieve opzegtermijn van vier maanden is onjuist en strijdig met artikel 7:672 lid 6 BW Pro. Hierdoor is het besluit van 10 januari 2003 onrechtmatig.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en beveelt een nieuwe beslissing op bezwaar. Tevens veroordeelt zij verweerder tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht en een deel van de proceskosten. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat de omvang van eventuele rente nog niet kan worden vastgesteld.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onjuiste fictieve opzegtermijn en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank Arnhem
Sector bestuursrecht
Registratienummer: AWB 03/1217
Uitspraak
ingevolge artikel 8:77 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
A, eiser,
wonende te B, vertegenwoordigd door mr. P.J. van 't Hoff,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 12 mei 2003, uitgereikt door Uwv GAK te Nijmegen.
2. Procesverloop
Eiser heeft op 31 december 2002 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd.
Bij besluit van 10 januari 2003 heeft verweerder besloten dat eiser tot 3 maart 2003 geen recht heeft op een WW-uitkering.
Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het daartegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.
Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.
Het beroep is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de rechtbank van 12 december 2003. Partijen zijn aldaar, met bericht van verhindering, niet verschenen.
3. Overwegingen
Blijkens de stukken was eiser sinds 1 januari 2000 als […] in dienst van X B.V. (X).
In de arbeidsovereenkomst was voor eiser een opzegtermijn opgenomen van twee maanden. Over een voor X geldende opzegtermijn was in de arbeidsovereenkomst niets bepaald.
Bij beschikking van 29 november 2002 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met ingang van 31 december 2002 ontbonden onder toekenning van een vergoeding ter hoogte van € 28.891,- bruto.
In geschil is of verweerder bij het vaststellen van de fictieve opzegtermijn terecht is uitgegaan van een voor de werkgever geldende opzegtermijn van vier maanden.
Ingevolge artikel 16, derde lid, van de WW worden, voor zover hier van belang, met het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon, bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld de inkomsten waarop de werknemer recht heeft in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, tot aan het bedrag aan loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking door opzegging met inachtneming van de rechtens geldende termijn zou zijn geëindigd. Onder de rechtens geldende termijn wordt verstaan de termijn die de werkgever of de werknemer op grond van artikel 672 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ieder voor zich bij opzegging in acht behoort te nemen. Het in de eerste zin bedoelde bedrag wordt indien de dienstbetrekking is geëindigd door ontbinding, toegerekend aan de periode onmiddellijk volgend op de datum van de beschikking tot ontbinding. Indien de dienstbetrekking is geëindigd door ontbinding op verzoek van de werkgever, is artikel 672 lid 4 van Pro Boek 7 van het BW van overeenkomstige toepassing.
In het derde lid van artikel 7:672, van het BW is bepaald dat de door de werknemer in acht te nemen termijn van opzegging één maand bedraagt.
Ingevolge het vijfde lid van dit artikel kan de voor de werkgever geldende termijn schriftelijk worden verlengd.
Ingevolge het zesde lid van dit artikel mag, ingeval de voor de werknemer geldende termijn, als bedoeld in het derde lid, schriftelijk is verlengd, de voor de werkgever geldende termijn niet korter zijn dan het dubbele van die voor de werknemer.
Nu in de arbeidsovereenkomst geen bepaling was opgenomen over de door X in acht te nemen opzegtermijn en niet is gebleken dat de wettelijke termijn van één maand anderszins schriftelijk is verlengd, is de rechtbank van oordeel dat het in de arbeidsovereenkomst opgenomen beding dat voor eiser een opzegtermijn gold van twee maanden in strijd is met artikel 7:672, zesde lid, van het BW.
In dat geval moet de opzegtermijn worden bepaald aan de hand van het tweede lid, van artikel 7:672, van het BW, waarbij de door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging is geregeld. Aangezien de arbeidsovereenkomst korter dan vijf jaar heeft geduurd bedraagt die termijn ingevolge dat artikellid onder a, één maand.
Gelet op het bovenstaande heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de fictieve opzegtermijn, rekening houdend met een verkorting van één maand wegens de ontbinding, eindigde op 28 februari 2003. Het bestreden besluit komt derhalve in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met de wet.
Aangezien verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen, kan de omvang van de schade in de vorm van wettelijke rente over een eventueel na te betalen bedrag nog niet worden vastgesteld, zodat er thans geen grond is om het op artikel 8:73 van Pro de Awb gebaseerde verzoek van eiser in te willigen.
De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644,-- aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.
Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van Pro de Awb, tot de volgende beslissing.
4. Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 322,-- en wijst het Uwv aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;
- bepaalt voorts dat het Uwv aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad € 31,-- vergoedt;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus gegeven door mr. J.N.A. Bootsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2004 in tegenwoordigheid van mr. M.I.L.E.S. Bloemendal als griffier.
De griffier, De rechter,
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto Pro 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Verzonden op: 30 januari 2004