ECLI:NL:RBARN:2004:AO2843
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit fictieve opzegtermijn WW-uitkering wegens strijd met wettelijke opzegtermijn
Eiser was sinds 1 januari 2000 in dienst van X B.V. met een arbeidsovereenkomst waarin een opzegtermijn van twee maanden voor eiser was opgenomen, maar geen opzegtermijn voor de werkgever. De arbeidsovereenkomst werd ontbonden per 31 december 2002. Verweerder (UWV) besloot dat eiser tot 3 maart 2003 geen recht had op WW-uitkering, uitgaande van een fictieve opzegtermijn van vier maanden voor de werkgever.
De rechtbank oordeelt dat de arbeidsovereenkomst geen schriftelijke verlenging van de wettelijke opzegtermijn voor de werkgever bevatte, waardoor de wettelijke termijn van één maand geldt. De door verweerder gehanteerde fictieve opzegtermijn van vier maanden is onjuist en strijdig met artikel 7:672 lid 6 BW Pro. Hierdoor is het besluit van 10 januari 2003 onrechtmatig.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en beveelt een nieuwe beslissing op bezwaar. Tevens veroordeelt zij verweerder tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht en een deel van de proceskosten. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat de omvang van eventuele rente nog niet kan worden vastgesteld.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onjuiste fictieve opzegtermijn en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.