ECLI:NL:RBARN:2002:AE3938
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ontslag op staande voet ingetrokken; WW-uitkering geweigerd wegens vermeende verwijtbaarheid niet gerechtvaardigd
Eiseres was sinds 1993 in dienst bij werkgever X als telefoniste/receptioniste. Op 17 juli 1998 werd zij op staande voet ontslagen omdat zij in haar vrije tijd werkzaamheden verrichtte voor een voormalig directeur van X. Dit ontslag werd bij minnelijke schikking ingetrokken, waarna de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbond wegens gewijzigde omstandigheden. De kantonrechter oordeelde dat eiseres door haar nevenwerkzaamheden de schijn van belangenverstrengeling had gewekt, waardoor verdere samenwerking niet mogelijk was.
Verweerder (UWV) weigerde de WW-uitkering vanaf 17 juli 1998 blijvend en vorderde verstrekte voorschotten terug, stellende dat eiseres verwijtbaar werkloos was geworden omdat zij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat haar gedrag het vertrouwen van haar werkgever zou schaden en beëindiging van het dienstverband tot gevolg zou kunnen hebben.
De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van het recht op WW niet de vraag is of verdere samenwerking mogelijk was, maar of de beëindiging van het dienstverband voor eiseres redelijkerwijs voorzienbaar was. Gezien haar functie, opleiding, de aard en omvang van de nevenwerkzaamheden, het ontbreken van een concurrentie- of nevenwerkzaamhedenbeding en het ontbreken van bewijs van het doorspelen van vertrouwelijke informatie, was dit niet het geval.
De rechtbank vernietigt het besluit tot weigering van de WW-uitkering voor de periode vanaf 7 januari 1999 tot 14 juni 1999 en veroordeelt verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Besluit tot weigering WW-uitkering en terugvordering voorschotten vernietigd voor periode vanaf 7 januari 1999 wegens onvoldoende voorzienbaarheid van beëindiging dienstverband.