ECLI:NL:RBAMS:2026:989

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
13/241375-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 WWMArt. 26 WWMArt. 36b SrArt. 36c SrArt. 36d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor verboden wapen- en munitiebezit in bedrijfspand en woning te Amsterdam

Op 11 september 2025 werd in een bedrijfspand en de bovengelegen woning in Amsterdam een grote hoeveelheid vuurwapens en munitie aangetroffen, waaronder verboden wapens en geladen vuurwapens. Verdachte, die als veiligheidsfunctionaris van een schietvereniging fungeerde en het beheer over het pand had, werd beschuldigd van verboden wapen- en munitiebezit.

De rechtbank oordeelde dat verdachte zich bewust was van het bezit van een deel van de wapens en munitie, waaronder geladen pistolen en een pistoolmitrailleur, en dat hij daarover feitelijke macht kon uitoefenen. Voor een ander deel van de wapens, zoals geluidsdempers en grendelgeweren die verborgen lagen, kon niet worden vastgesteld dat verdachte daarvan bewust was, waardoor hij daarvoor werd vrijgesproken.

De situatie in het pand was ernstig: wapens lagen open en bloot binnen handbereik van een minderjarig kind, het pand was vervuild en het verenigingsverlof van de schietvereniging was verlopen. Verdachte had ondanks zijn rol als veiligheidsfunctionaris niet adequaat gehandeld. Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden legde de rechtbank een gevangenisstraf van 12 maanden op, met aftrek van voorarrest.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf voor verboden wapen- en munitiebezit in bedrijfspand en woning.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/241375-25
Datum uitspraak: 29 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
wonende op het adres [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.F. van Drumpt en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.G. van Wijk naar voren hebben gebracht.

2.Inleiding

Op 11 september 2025 kwam er bij de politie een melding binnen over een man die in de [adres 2] in Amsterdam op straat een vuurwapen zou hebben getoond aan een vrouw. Ter plaatse zagen verbalisanten dat bij [adres 3] aan de [adres 4] een deur openstond en dat er licht brandde. Dat vonden zij opvallend, omdat [adres 3] op dat moment volgens hun gegevens gesloten zou moeten zijn.
In het pand van [adres 3] was een wapenwinkel gevestigd. Daarnaast bevonden zich in het pand twee schietbanen, die werden verhuurd aan twee schietverenigingen. Eén van die schietverenigingen was [naam schietvereniging] , waarvoor verdachte als veiligheidsfunctionaris fungeerde.
De verbalisanten kwamen op 11 september 2025, na aangeklopt te hebben, in gesprek met verdachte en hebben uiteindelijk het pand betreden. In het bedrijfspand werd op verschillende plaatsen onder andere een grote hoeveelheid aan vuurwapens en munitie aangetroffen, die open en bloot en voor het grijpen lagen. Ook in de bovengelegen woning werden vuurwapens en munitie aangetroffen, waaronder in de woonkamer. De wapens en munitie waren, voor zover het voorhanden hebben daarvan überhaupt al niet verboden was, niet volgens de daarvoor geldende veiligheidseisen opgeborgen. Naast verdachte waren ook de vrouw van verdachte, zijn zesjarige kind en vier mannen in het pand aanwezig. Op de verbalisanten maakte de binnenkant van het pand een zwaar vervuilde indruk.
De vader van verdachte was tot november 2024 erkenninghouder, wat inhoudt dat hij tot die datum een vergunning had voor het bedrijfsmatig hanteren van wapens, waaronder de verkoop, verhuur of reparatie daarvan. Tot mei 2025 had schietvereniging [naam schietvereniging] een verenigingsverlof; de vergunning die de schietvereniging zelf bezit voor de wapens die zij ter beschikking stelt aan leden om mee te trainen.
Vanwege de situatie zoals die tijdens de doorzoeking werd aangetroffen, ontstond de verdenking dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verboden wapen- en munitiebezit. Er is door het Openbaar Ministerie voor gekozen om in de tenlastelegging een kleine selectie van wat er is aangetroffen op te nemen, namelijk de wapens en munitie in de woning, de wapens en munitie die überhaupt niet in aanmerking komen voor een verlof (van de schietvereniging) of een erkenning (van de wapenwinkel) en de twee geladen vuurwapens in de bedrijfsruimte die volgens verdachte voor zelfverdediging waren bedoeld.

3.Tenlastelegging

Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij zich, kort en zakelijk weergegeven, heeft schuldig gemaakt aan:
1. het samen met anderen voorhanden hebben van meerdere geluidsdempers, vuurwapens en munitie op 11 september 2025 in een bedrijfsruimte in Amsterdam;
2. het samen met anderen voorhanden hebben van een geluidsdemper, meerdere vuurwapens en munitie op 11 september 2025 in een woning in Amsterdam;
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

4.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

5.Standpunten van partijen

5.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft ten aanzien van de beschuldigingen tot een bewezenverklaring gerekwireerd.
5.2.
Standpunt van de verdediging
Uit hetgeen verdachte en de raadsman op de terechtzitting naar voren hebben gebracht kan in algemene zin worden afgeleid dat zij vinden dat het onterecht is dat verdachte als enige verantwoordelijk wordt gehouden voor de situatie zoals die op 11 september 2025 is aangetroffen in het pand aan de [adres 4] . Verdachte werd, door de afwezigheid van zijn vader, opgezadeld met het beheer over het pand en het aanspreekpunt voor de politie. Hoewel verdachte zich niet goed aan de voorschriften heeft gehouden had hij goede intenties en was hij, in overleg met de politie, bezig om de situatie op orde te krijgen.
Verdachte heeft over de in feit 1 genoemde vuurwapens die in de bureaulade van de frontdesk (pistool Para-Ordnance) en in een lade in de keuken (pistool Walther) zijn gevonden verklaard dat hij wist dat deze (door)geladen vuurwapens daar lagen en dat ze bedoeld waren voor zelfbescherming.
Verdachte heeft ten aanzien van de overige onder feit 1 genoemde geluidsdempers en vuurwapens verklaard dat hij niet wist dat deze in het bedrijfspand aanwezig waren. Volgens de raadsman kan van deze voorwerpen worden gezegd dat zij niet direct in het zicht lagen. De grendelgeweren moeten in de tijd dat de vader van verdachte nog in het pand werkzaam was daar terecht zijn gekomen. Hoewel deze geluidsdempers en vuurwapens dus feitelijk in het pand lagen, kan niet worden vastgesteld dat verdachte daar ook wetenschap van had en dat hij deze dus in juridische zin voorhanden heeft gehad. Verdachte dient daarom ten aanzien van die onderdelen partieel te worden vrijgesproken.
Verdachte heeft ten aanzien van de beschuldiging onder feit 2 verklaard dat hij de – in zijn veronderstelling legale en ongeladen – vuurwapens mee naar de woning had genomen, omdat hij bezig was met de registratie daarvan. Als dit was afgerond zouden de vuurwapens weer worden teruggebracht naar de bedrijfsruimte beneden. Het hagelgeweer was niet goed opgeborgen door zijn vader. De pot met munitie was een verzameling van munitie die verdachte vaak in zijn broekzak vond en die op een later moment weer teruggebracht zou worden naar de bedrijfsruimte.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat grotendeels tot een bewezenverklaring kan worden gekomen, omdat steeds in ieder geval voorwaardelijk opzet kan worden aangenomen. Er kan niet tot een bewezenverklaring gekomen worden ten aanzien van de in de meterkast aangetroffen granaat, omdat het de meterkast van het bedrijfspand onder de woning betrof. Bovendien kan niet worden vastgesteld hoe lang de granaat daar al lag en of hij in het zicht lag.
De door de raadsman gevoerde verweren komen, voor zover van belang voor de bewijswaardering, aan de orde in de overwegingen van de rechtbank.

6.Oordeel van de rechtbank

6.1.
Toetsingskader
Op grond van artikel 26, eerste lid, Wet wapens en munitie (hierna: WWM) is het verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden te hebben. In artikel 13, eerste lid, van de WWM is het verbod tot het voorhanden hebben van wapens van categorie I opgenomen. Het handelen in strijd met deze verboden is als misdrijf strafbaar op grond van de artikelen 55 en 56 WWM.
Voor een veroordeling van het – als pleger – voorhanden hebben van de wapens en munitie is vereist dat verdachte de wapens en munitie bewust aanwezig had. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat een verdachte zich bewust moet zijn van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad.
Voorts vergt het aanwezig hebben van een wapen of munitie dat verdachte feitelijke macht over het wapen en de munitie kon uitoefenen in de zin dat hij daarover kon beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van verdachte te hebben bevonden. [1]
6.2.
Feit 1 (bedrijfsruimte)
6.2.1.
Partiële vrijspraak
Ten behoeve van de leesbaarheid heeft de rechtbank ervoor gekozen om hier alle gedachtestreepjes waarvoor tot een vrijspraak wordt gekomen samen te bespreken, omdat de rechtbank in deze gevallen tot dezelfde overweging komt.
  • 12 geluidsdempers
  • 11 geluidsdempers
  • zeven (gemodificeerde) grendelgeweren (merk Schmidt-Rubin, model K31)
  • vier (gemodificeerde) grendelgeweren (Merk Schmidt-Rubin, model K31)
  • één machinegeweer (merk Sig Sturmgewehr 57)
Verdachte ontkent enige wetenschap te hebben gehad van de aanwezigheid van de aangetroffen geluidsdempers en vuurwapens en heeft verklaard dat hij deze nooit in het bedrijfspand heeft gezien. Als hij had geweten dat deze in het bedrijfspand lagen, had hij dit gemeld bij het team korpscheftaken van de politie (hierna: korpscheftaken).
Verdachte heeft verklaard dat hij toegang had tot alle delen van het bedrijfspand. Daarmee staat vast dat de geluidsdempers en vuurwapens zich in de machtssfeer van verdachte bevonden, in die zin dat hij daarover kon beschikken.
De rechtbank is echter van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de geluidsdempers en vuurwapens in het bedrijfspand bewust aanwezig had, in die zin dat hij daarvan wetenschap had. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
Verdachte heeft verklaard dat hij, nadat zijn vader fysiek niet meer in staat was om bij [adres 3] aanwezig te zijn, een soort waarnemer voor hem was geworden. Hij was ook het aanspreekpunt geworden voor korpscheftaken. Volgens verdachte was het de bedoeling om de wapenwinkel van [adres 3] en de schietvereniging [naam schietvereniging] stop te zetten. Het pand was inmiddels verkocht en vanwege de afwezigheid van zijn vader was verdachte verantwoordelijk geworden voor het leegruimen van het pand en daarmee dus ook voor het ergens anders onderbrengen van de wapens en munitie die zich in het pand bevonden. Dit had hij naar eigen zeggen zo goed mogelijk en in overleg met korpscheftaken proberen te doen. Dit was lastig omdat hij geen erkenninghouder was en daardoor geen wapens en munitie mocht verkopen. Verdachte was bezig met de registratie van de vuurwapens en munitie ten behoeve van de door korpscheftaken uit te voeren zogenaamde ‘100% controle’, die twee weken na 11 september 2025 zou plaatsvinden, toen de politie op 11 september 2025 het pand binnen ging.
Ter terechtzitting is de rechtbank duidelijk geworden dat er sprake was van een gedoogsituatie, waarbij verdachte (die geen erkenninghouder was) van korpscheftaken het feitelijk beheer had gekregen over de in het pand aanwezige wapens en munitie, zodat deze konden worden geregistreerd en uiteindelijk ook konden worden verkocht. Uit het dossier blijkt dat verdachte al enige maanden in overleg met korpscheftaken was over de registratie en de controle van de wapens en de afwikkeling van het één en ander. Gelet op de enorme hoeveelheid aan wapens en munitie die onoverzichtelijk in de vele ruimtes in het pand waren opgeslagen, kan de rechtbank zich indenken dat de situatie verdachte, die hier plotseling en ongewild mee was geconfronteerd, op enig moment boven het hoofd is gegroeid. Er zijn geen aanwijzingen om aan te nemen dat verdachte het geheel niet op een juiste manier wilde afwikkelen. Het bewust aanwezig hebben van illegale vuurwapens en onderdelen daarvan ligt daarbij niet in de rede, zeker niet nu enige mate van controle door korpscheftaken werd uitgevoerd.
Daar komt bij dat de geluidsdempers en vuurwapens niet open en bloot in de ruimtes van het bedrijfspand lagen. Vijf van de grendelgeweren werden in een ruimte in de kelder in een roze sporttas gevonden. De overige zes grendelgeweren en alle geluidsdempers werden in verschillende ruimtes in de kelder in zwarte rolkoffers gevonden. Het machinegeweer (SIG Sturmgewehr 57) werd in de munitiewerkplaats op de begane grond gevonden en was verborgen achter een stuk wit plastic in een ruimte tussen een kast met kluisjes en de muur. Noch uit het dossier noch uit hetgeen ter terechtzitting door verdachte is verklaard, blijkt dat verdachte wist van de aanwezigheid van deze specifieke wapens, omdat deze niet in het zicht lagen.
Onder deze omstandigheden kan de rechtbank niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van de geluidsdempers en vuurwapens, zodat hij van het voorhanden hebben daarvan wordt vrijgesproken.
6.2.2.
Bewezenverklaring overige vuurwapens
Ten behoeve van de leesbaarheid heeft de rechtbank ervoor gekozen om hier alle gedachtestreepjes waarvoor tot een bewezenverklaring wordt gekomen samen te bespreken, omdat de rechtbank in die gevallen tot dezelfde overweging komt.
  • één pistool (Para-Ordnance)
  • één pistool (Walther)
  • vijf patronen (.45 AUTO)
  • drie patronen (6.35 mm)
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen, zoals opgenomen in de voetnoten, van de volgende feiten en omstandigheden uit. [2]
Op de begane grond werd in een bureaulade bij de frontdesk een vuurwapen aangetroffen. In het patroonmagazijn werden vier patronen aangetroffen. In de kamer werd één patroon aangetroffen. Het vuurwapen was dus doorgeladen en voor onmiddellijk gebruik gereed. Het vuurwapen betrof een pistool van het merk Para-Ordnance, zijnde een vuurwapen van categorie III. De vijf patronen waren van het kaliber .45 AUTO. Deze patronen zijn voorzien van expanderende projectielen en zijn derhalve munitie van categorie II. [3]
Op de begane grond werd in een lade van de keuken een vuurwapen aangetroffen. In het patroonmagazijn werden drie patronen aangetroffen en het vuurwapen was dus geladen. Het vuurwapen betrof een pistool van het merk Walther, zijnde een vuurwapen van categorie III. De drie patronen waren van het kaliber 6.35 mm Browning. Deze patronen zijn munitie van categorie III. [4]
De vuurwapens stonden niet geregistreerd op het verlof van [naam schietvereniging] en de munitie is van dien aard dat deze nimmer op een verlof geregistreerd had kunnen worden in verband met het gevaar of verbod. [5]
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij deze twee (door)geladen vuurwapens met munitie voorhanden had ter zelfbescherming. [6]
Omdat verdachte heeft bekend beide vuurwapens met munitie voorhanden te hebben gehad, kunnen deze gedachtestreepjes worden bewezen.
6.3.
Feit 2 (woning)
Ten behoeve van de leesbaarheid heeft de rechtbank ervoor gekozen om hierna ieder afzonderlijk wapen of type munitie dat in de tenlastelegging is genoemd te bespreken. Daarbij zijn in sommige gevallen meerdere gedachtestreepjes uit de tenlastelegging samengenomen, omdat de rechtbank in die gevallen tot dezelfde overweging komt.
  • één pistoolmitrailleur
  • één geluidsdemper (behorende bij de pistoolmitrailleur)
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen, zoals opgenomen in de voetnoten, van de volgende feiten en omstandigheden uit.
In de woonkamer van de woning lag een metalen koffer met daarin een pistoolmitrailleur die in onderdelen uit elkaar lag. In de koffer lag ook een geluidsdemper die bij de pistoolmitrailleur hoorde. De pistoolmitrailleur is een vuurwapen van categorie II. De geluidsdemper is een wapen van categorie I. [7] Het vuurwapen en de geluidsdemper zijn van dien aard dat deze nimmer op een verlof geregistreerd hadden kunnen worden in verband met gevaar of verbod. [8]
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de koffer, waarvan hij wist dat daarin een vuurwapen zat, die dag vanuit de bedrijfsruimte beneden mee naar de woning boven had genomen, omdat hij bezig was met de registratie van de wapens. [9]
De rechtbank komt op basis van het voorgaande tot het oordeel dat verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van het vuurwapen en de geluidsdemper en daarover heeft kunnen beschikken. Zelfs als wordt aangenomen dat verdachte niet wist welk wapen er precies in de koffer zat, maakt dat het niet anders. De bewustheid hoeft zich namelijk niet uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie.
-
één hagelgeweer/shotgun (Maverick)
In de hal van de woning lag achter het schoenenrek een hagelgeweer met pompfunctie, dat in de volksmond een shotgun wordt genoemd. Het betrof een hagelgeweer van het merk Maverick en dat is een vuurwapen van categorie II. [10] Het wapen is van dien aard dat deze nimmer op een verlof geregistreerd had kunnen worden in verband met gevaar of verbod. [11]
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het hagelgeweer niet goed was opgeborgen door zijn vader, maar dat hij dacht dat hij dit vuurwapen mocht verkopen. [12]
De rechtbank komt op basis van het voorgaande tot het oordeel dat verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van het vuurwapen en daarover heeft kunnen beschikken. Zelfs als wordt aangenomen dat verdachte niet wist dat het een verboden vuurwapen betrof, maakt dat het niet anders. De bewustheid hoeft zich namelijk niet uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie.
  • drie pistolen (Glock & Walther)
  • twee revolvers
  • twee pistolen (Tanfoglio)
  • vier patronen (deformerend / hollow point)
Op de eetkamertafel in de woning werden in een kartonnen doosje drie vuurwapens aangetroffen. De vuurwapens betroffen twee pistolen van het merk Glock en één pistool van het merk Walther en dat zijn vuurwapens van categorie III. [13] De vuurwapens stonden op het verlof van [naam schietvereniging] of de erkenning van de wapenwinkel van [adres 3] geregistreerd. [14]
Op de eetkamertafel in de woning werden in een sporttas vier vuurwapens aangetroffen. De vuurwapens betroffen een revolver van het merk Smith & Wesson, een revolver van het merk Amadeo Rossi en twee pistolen van het merk Tanfoglio. De revolvers en pistolen zijn vuurwapens van categorie III. De vuurwapens stonden op het verlof van [naam schietvereniging] of de erkenning van de wapenwinkel van [adres 3] geregistreerd, met uitzondering van de revolver van het merk Amadeo Rossi. [15] Van de revolver van het merk Amadeo Rossi was namelijk het serienummer machinaal uit het vuurwapen verwijderd, waardoor de herkomst niet meer bepaald kon worden. Eén van de pistolen uit de sporttas was geladen met vier deformerende/hollow point patronen. Deze patronen zijn voorzien van expanderende projectielen en zijn derhalve munitie van categorie II. [16] De munitie stond niet op een verlof of erkenning geregistreerd. [17]
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de aangetroffen vuurwapens die dag vanuit de bedrijfsruimte beneden mee naar de woning boven had genomen, omdat hij bezig was met de registratie van de wapens. [18]
De rechtbank komt op basis van het voorgaande tot het oordeel dat verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van de vuurwapens en de munitie en daarover heeft kunnen beschikken. Zelfs als wordt aangenomen dat verdachte niet wist dat één van de pistolen geladen was met patronen, laat staan met hollow point munitie, maakt dat het niet anders. De bewustheid hoeft zich namelijk niet uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat, ondanks dat voor een aantal van de aangetroffen wapens sprake was van verlof, geen aanspraak kon worden gemaakt op de (verlopen) erkenning of het (verlopen) verlof met betrekking tot deze wapens omdat deze wapens zich buiten het bedrijfspand bevonden.
-
één aardewerk pot gevuld met scherpe munitie
In de slaapkamer lag in de bovenste lade van een kastje een aardewerk pot, tot de rand gevuld met scherpe munitie. [19] Verdachte heeft verklaard dat de munitie in het potje een verzameling van patronen betrof die hij op eerdere momenten beneden in zijn broekzak had gedaan en die op een later moment weer terug naar de bedrijfsruimte gebracht zouden worden. [20]
De rechtbank komt op basis van het voorgaande tot het oordeel dat verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van de munitie en daarover heeft kunnen beschikken.
-
één granaat (militaire geschutsmunitie)
In de meterkast van de woning lag een granaat, zijnde munitie van categorie II. [21] [22] De munitie is van dien aard dat deze nimmer op het verlof geregistreerd had kunnen worden in verband met gevaar of verbod. [23]
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn vader de granaat gebruikte als voorbeeld bij presentaties. [24]
Uit de verklaring van verdachte kan worden afgeleid dat verdachte wist van de aanwezigheid van de granaat in het pand. Daarmee komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van de granaat en daarover heeft kunnen beschikken. Zelfs als wordt aangenomen dat verdachte niet wist waar de granaat precies lag, maakt dat het niet anders. De bewustheid hoeft zich namelijk niet uit te strekken tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie.

7.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in pragraaf 6 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1.
op 11 september 2025 te Amsterdam, in een bedrijfsruimte aan de [adres 4] ,
wapens van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten,
  • één pistool (Para-Ordnance, dossierpagina’s ZD01 92 tot en met ZD01 94);
  • één pistool (Walther, dossierpagina’s ZD01 95 tot en met ZD01 96);
en
munitie van categorie II en/of III van de Wet wapens en munitie, te weten:
  • vijf patronen (.45 AUTO, dossierpagina’s ZD01 94 tot en met ZD01 95);
  • drie patronen (6.35 mm, dossierpagina’s ZD01 96 tot en met ZD01 97);
voorhanden heeft gehad;
2.
op 11 september 2025 te Amsterdam, in de woonruimte aan de [adres 4] ,
een wapen van categorie I van de Wet wapens en munitie, te weten,:
- één geluidsdemper (behorende bij de pistoolmitrailleur, dossierpagina’s ZD 124 tot en met ZD01 126);
en
wapens van categorie II van de Wet wapens en munitie, te weten:
  • één hagelgeweer/shotgun (Maverick, dossierpagina’s ZD01 110 tot en met ZD01 111);
  • één pistoolmitrailleur (dossierpagina’s ZD01 124 tot en met ZD01 126);
en
wapens van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten:
  • drie pistolen (Glock & Walther, dossierpagina’s ZD01 112 tot en met ZD01 115);
  • twee revolvers (dossierpagina’s ZD01 116 tot en met ZD01 119);
  • twee pistolen (Tanfoglio, dossierpagina’s ZD01 119 tot en met ZD01 122);
en
munitie van categorie II en III van de Wet wapens en munitie, te weten:
  • vier patronen (deformerend / hollow point, dossierpagina ZD01 123);
  • één aardewerk pot gevuld met scherpe munitie (dossierpagina AD p. 27);
  • één granaat (militaire geschutsmunitie, dossierpagina’s ZD01 203 tot en met ZD01 205);
voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

8.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

9.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

10.Motivering van de straf

10.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest.
10.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht aan de verdachte hoogstens een gevangenisstraf op te leggen die de duur van het voorarrest niet overstijgt. Mogelijk kan daarnaast een voorwaardelijk strafdeel of een taakstraf aan hem worden opgelegd.
10.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Uit het dossier komt naar voren dat bij het betreden van het pand aan de [adres 4] op 11 september 2025 een ontzettend gevaarlijke situatie is aangetroffen. Door het gehele pand werd een grote hoeveelheid aan vuurwapens, onderdelen daarvan en munitie gevonden die open en bloot en voor het grijpen lag. In het pand verbleven ook de vrouw en de minderjarige dochter van verdachte. Daarnaast is gebleken dat op dat moment ook andere personen in het pand aanwezig waren.
Verdachte was vanuit zijn rol als veiligheidsfunctionaris van schietvereniging [naam schietvereniging] bekend met de verantwoordelijkheid die hij had bij het waarborgen van de veiligheid en het verantwoord gebruik van wapens. Verdachte heeft daar echter niet naar gehandeld. De wapens en munitie (voor zover het voorhanden hebben daarvan überhaupt al niet verboden was) waren niet volgens de daarvoor geldende veiligheidseisen opgeborgen. De rechtbank vindt het zeer ernstig en zorgwekkend dat dergelijke (geladen) vuurwapens binnen handbereik van een minderjarig kind lagen.
Het verenigingsverlof van [naam schietvereniging] was verlopen, terwijl leden van de vereniging volgens verdachte naar eigen zeggen nog steeds onder zijn toezicht en begeleiding kwamen schieten op de schietbaan. Uit het dossier blijkt daarnaast dat sprake was van een enorme rotzooi en vervuiling in het gehele pand, waaronder ook op de schietbanen. Ook was verdachte onder invloed van alcohol op het moment dat hij naar eigen zeggen bezig was met het registreren van de wapens en had hij twee (door)geladen wapens binnen handbereik liggen.
Daarnaast vindt de rechtbank het zorgwekkend dat zowel in het bedrijfspand als de woning niet enkel wapens die geregistreerd stonden op het verlof van schietvereniging [naam schietvereniging] of de wapenwinkel van [naam wapenwinkel], maar ook illegale wapens zijn aantroffen. Verdachte had, vanwege zijn bekendheid met vuurwapens en de veiligheidseisen daaromtrent, beter moeten weten. Het ongecontroleerde bezit van (deels geladen) wapens, onderdelen daarvan en munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee.
Gelet op de ernst van de feiten en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) rechtvaardigt het voorhanden hebben van een dergelijke hoeveelheid aan vuurwapens en munitie zonder meer de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
Uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken komt echter een beeld naar voren dat maakt dat deze zaak niet vergeleken kan worden met andere zaken waarbij sprake was van het verboden bezit van een grote hoeveelheid aan vuurwapens.
Het pand van [adres 3] , met daarin onder andere een wapenwinkel en schietbanen, was voor lange tijd onder beheer van de vader van verdachte. De vader van verdachte was de erkenninghouder en daarmee als enige bevoegd om bedrijfsmatig met wapens en munitie om te gaan, waaronder het verkopen daarvan. Nadat de vader van verdachte fysiek niet meer in staat was om aanwezig te zijn, is het feitelijke beheer van het pand neergekomen op verdachte en was hij ook het aanspreekpunt geworden voor korpscheftaken. Het pand was inmiddels verkocht en de wapenwinkel en schietvereniging [naam schietvereniging] zouden worden stopgezet. Er was sprake van een gedoogsituatie, waarbij door korpscheftaken werd toegestaan dat verdachte, die geen erkenninghouder was, alle wapens registreerde ten behoeve van een controle en het uiteindelijk verkopen van de wapens. Deze gang van zaken duurde al enkele maanden voort. Dat betekent echter niet dat de situatie in het pand zoals die op 11 september 2025 werd aangetroffen ook werd gedoogd. Het lijkt erop dat verdachte de intentie had om alles netjes af te wikkelen, maar dat hij de situatie niet geheel meer heeft kunnen overzien en dat zijn (onzorgvuldig) handelen grotendeels daardoor is ingegeven.
Uit het strafblad van 27 november 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.
Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven, omdat alle wapens en munitie in beslag zijn genomen en het pand aan de [adres 4] op bevel van de burgemeester is gesloten. Van herhalingsgevaar is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

11.Beslag

11.1.
In beslag genomen voorwerpen
De officier van justitie heeft ter terechtzitting te kennen gegeven dat de lijst van voorwerpen die worden genoemd in het proces-verbaal ‘Overzicht goederen’ met documentcode 21866658 moet worden opgevat als beslaglijst. Een opsomming van deze voorwerpen is opgenomen in bijlage 2, die aan dit vonnis is gehecht.
11.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat door de rechtbank alleen nog een beslissing dient te worden genomen ten aanzien van de voorwerpen waarvan verdachte nog geen afstand heeft gedaan en die nog niet aan verdachte zijn geretourneerd. Dat betreffen volgens de officier van justitie de goederen genoemd op het overzicht in bijlage 2 onder de nummers 16, 18, 23, 75 en 110 tot en met 133.
De officier van justitie heeft gevorderd;
  • het voorwerp onder nummer 16 verbeurd te verklaren;
  • de voorwerpen onder nummers 18, 23 en 115 tot en met 133 te onttrekken aan het verkeer;
  • de voorwerpen onder de nummers 75 en 110 tot en met 114 te retourneren aan de rechthebbende.
11.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting te kennen gegeven dat geen van de inbeslaggenomen voorwerpen reeds aan verdachte zijn geretourneerd. Verdachte verzet zich niet tegen de onttrekking aan het verkeer van de wapens.
11.4.
Het oordeel van de rechtbank
In artikel 134 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) staat beschreven in welke gevallen het beslag eindigt. Dat is onder meer aan de orde wanneer het Openbaar Ministerie het inbeslaggenomen voorwerp aan de rechthebbende teruggeeft (lid 2 onder a). Daarnaast eindigt het beslag als de last als bedoeld in art. 116 lid 2 onder Pro c Sv door het Openbaar Ministerie is gegeven (lid 2 onder b): indien degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen (kort gezegd) verklaart dat hij afstand van het voorwerp doet en dat het voorwerp hem toebehoort, kan de hulpofficier van justitie of het Openbaar Ministerie gelasten dat daarmee wordt gehandeld als ware het verbeurdverklaard of onttrokken aan het verkeer. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de zittingsrechter niet meer hoeft te beslissen over een voorwerp waarvoor zo'n last is gegeven, omdat dan daarvoor geen noodzaak meer bestaat. [25] Het enkel afstand doen van een inbeslaggenomen voorwerp doet het beslag dus nog niet eindigen.
De raadsman heeft ter terechtzitting te kennen gegeven dat geen van de inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte is geretourneerd. Het beslag op die voorwerpen is dus nog niet geëindigd en de rechtbank dient daarover nog een beslissing te nemen.
Ten aanzien van de goederen waarvan verdachte afstand heeft gedaan, kan aan de hand van de stukken in het dossier niet worden vastgesteld dat het Openbaar Ministerie daarvoor een last als bedoeld in art. 116 lid 2 onder Pro c Sv heeft afgegeven. Ook het beslag op die voorwerpen is dus nog niet geëindigd en de rechtbank dient daarover nog een beslissing te nemen.
De rechtbank komt tot het volgende oordeel.
Retour verdachte
Gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen genoemd onder 1, 2, 3, 17, 19 tot en met 22, 54 tot en met 56, 58 tot en met 66, 74, 75, 89 en 109 tot en met 114.
Onttrekking aan het verkeer
Verklaart onttrokken aan het verkeer de voorwerpen genoemd onder 4 tot en met 11, 15, 16, 39, 40, 42 en 43 en het pistool (Walther, goednummer 726651) en de aardewerk pot met munitie.
Omdat met betrekking tot deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.
Verklaart onttrokken aan het verkeer de voorwerpen genoemd onder 12 tot en met 14, 18, 23 tot en met 38, 41, 44 tot en met 53, 57, 67 tot en met 73, 76 tot en met 88, 90 tot en met 108 en 115 tot en met 133.
Omdat deze voorwerpen zijn aangetroffen in het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven, terwijl zij kunnen dienen tot het begaan van soortelijke misdrijven en van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

12.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

13.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in paragraaf 7 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie, meermalen gepleegd
Ten aanzien van feit 2:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II, meermalen gepleegd
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie, meermalen gepleegd
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvan
12 (twaalf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Gelast de teruggave aan veroordeelde van de items op de beslaglijst genoemd onder 1, 2, 3, 17, 19 tot en met 22, 54 tot en met 56, 58 tot en met 66, 74, 75, 89 en 109 tot en met 114.
Verklaart onttrokken aan het verkeer de items op de beslaglijst genoemd onder 4 tot en met 16, 18, 23 tot en met 53, 57, 67 tot en met 73, 76 tot en met 88, 90 tot en met 108 en 115 tot en met 133 en het pistool (Walther, goednummer 726651) en de aardewerk pot met munitie.
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
Mr. C. Wildeman, voorzitter,
mrs. A.H.E. van der Pol en M. Versteege, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R. Stockmann, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 januari 2026.
[...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
  • [...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]

Voetnoten

1.Hoge Raad 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504.
2.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
3.Een proces-verbaal van 18 september 2025, p. ZD 92-95.
4.Een proces-verbaal van 18 september 2025, p. ZD 95-97.
5.Een proces-verbaal ‘overzicht goederen’ van 12 januari 2026, ongenummerd.
6.Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 januari 2026.
7.Een proces-verbaal van 23 september 2025, p. ZD 124-126.
8.Een proces-verbaal ‘overzicht goederen’ van 12 januari 2026, ongenummerd.
9.Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 januari 2026.
10.Een proces-verbaal van 23 september 2025, p. ZD 110-111.
11.Een proces-verbaal ‘overzicht goederen’ van 12 januari 2026, ongenummerd.
12.Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 januari 2026.
13.Een proces-verbaal van 23 september 2025, p. ZD 112-115.
14.Een proces-verbaal ‘overzicht goederen’ van 12 januari 2026, ongenummerd.
15.Een proces-verbaal ‘overzicht goederen’ van 12 januari 2026, ongenummerd.
16.Een proces-verbaal van 23 september 2025, p. ZD 116-123.
17.Een proces-verbaal ‘overzicht goederen’ van 12 januari 2026, ongenummerd.
18.Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 januari 2026.
19.Een proces-verbaal van 24 september 2025, p. AD 27.
20.Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 januari 2026.
21.Een proces-verbaal van 24 september 2025, p. AD 28.
22.Een proces-verbaal van 8 december 2025, p. ZD 203-205.
23.Een proces-verbaal ‘overzicht goederen’ van 12 januari 2026, ongenummerd.
24.Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 januari 2026.
25.Hoge Raad 31 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1740.