ECLI:NL:RBAMS:2026:787

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
26/105
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbJeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening PGB op grond van de Jeugdwet wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor voortzetting van een persoonsgebonden budget (Pgb) op grond van de Jeugdwet, dat door verweerder geleidelijk wordt afgebouwd en per 1 januari 2026 volledig stopt. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om de jeugdhulp in de vorm van een Pgb te continueren.

De voorzieningenrechter beoordeelde of er sprake was van een spoedeisend belang. Hoewel het wegvallen van het Pgb financiële gevolgen heeft voor het gezin, is niet gebleken dat er sprake is van een onomkeerbare situatie of acute financiële nood. Het door verzoeker overgelegde financieel overzicht was onvoldoende onderbouwd, waardoor geen waarde aan het overzicht kon worden gehecht.

Daarnaast is niet vastgesteld dat het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Er bestaat een geschil over de medewerking van de ouders aan nader onderzoek door het Ondersteunings- en Klachten Team (OKT). De voorzieningenrechter achtte het niet overduidelijk dat het standpunt van verweerder onjuist is.

De voorzieningenrechter concludeert dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht. De uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften op 28 januari 2026.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en het niet evident onrechtmatig zijn van het besluit.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/105

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder.

Samenvatting

1.1
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit op de aanvraag van verzoeker om een persoonsgebonden budget (Pgb) op grond van de Jeugdwet. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om
een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken van een spoedeisend belang om een voorziening te treffen. Verder is niet gebleken dat het besluit evident onrechtmatig is. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop en totstandkoming

2.1.
Verweerder verleent sinds 2018 een Pgb ten behoeve van de zorg voor verzoeker ( [persoon] ). [persoon] zijn problematiek omvat problemen met emotieregulatie, zelfmutilatie, een eetstoornis in combinatie met zijn gecombineerde ASS en ADHD stoornis en een sensorische informatieverwerkingsstoornis. Het Pgb ziet op de ambulante jeugdhulp in de vorm van niet-professionele inzet door het netwerk voor 42 uur per week (a € 20,- per uur) en loopt af op 30 juni 2025. De moeder van verzoeker is de Pgb-beheerder en tevens de zorgverlener.
2.2.
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor voortzetting van het Pgb na
30 juni 2025. Verweerder heeft op 17 juli 2025 het besluit genomen om vanaf 1 juli 2025 het Pgb in zes maanden tijd geleidelijk naar nul uren per week af te bouwen. Verweerder heeft, kortgezegd, overwogen dat er een specialistisch oordeel en onderzoek nodig is om de aard en omvang van de benodigde zorg vast te stellen en dat de ouders van verzoeker daar onvoldoende medewerking aan hebben verleend. Vanaf 1 september 2025 ontvangt verzoeker nog 21 uren per week en per 1 november 2025 nog 10 uren per week. Met ingang van 1 januari 2026 is er geen Pgb meer.
2.3.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek in haar uitspraak van 12 november 2025 afgewezen.
2.4.
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 26 november 2025 het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat verzoeker jeugdhulp krijgt toegekend in de vorm van een (informeel) Pgb met een omvang van 42 uur per week tot zes weken na de uitspraak in de bodemprocedure.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de moeder van verzoeker. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang?
3.1.
Voor de beoordeling is van belang dat de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening treft als “onverwijlde spoed” dat vereist. De vraag naar het spoedeisend belang dient eerst te worden beantwoord voordat aan de inhoudelijke beantwoording van de vraag wordt toegekomen of het beroep tegen de besluitvorming redelijke kans van slagen heeft, en zo ja, of in redelijkheid niet van verzoeker verwacht kan worden de bodemprocedure verder af te wachten zonder dat een voorlopige voorziening wordt getroffen.
3.2.
Verzoeker heeft aangevoerd dat hij spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening omdat hij sinds 1 januari 2026 geen Pgb meer ontvangt. Met het wegvallen van de inkomsten uit het informeel Pgb is het gezin aangewezen op het inkomen van de vader van [persoon] en dit is onvoldoende. Verzoeker heeft een overzicht overgelegd van de maandelijkse inkomsten en uitgaven van het gezin en daaruit blijkt dat zij nu maandelijks een negatief saldo hebben van ongeveer € 835,-. Als deze situatie langer blijft bestaan, zal het gezin binnen enkele maanden forse schulden moeten maken.
3.3.
Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak het geval is, is niet snel sprake van een spoedeisend belang. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt. Er zal dan geen voorlopige voorziening getroffen worden.
3.4.
De voorzieningenrechter begrijpt dat het wegvallen van het Pgb een grote financiële impact heeft op het gezin, maar de voorzieningenrechter is van oordeel dat niet is gebleken dat een onomkeerbare situatie dreigt door acute financiële nood. Verzoeker heeft een financieel overzicht overgelegd met daarin de inkomsten en uitgaven van het gezin maar heeft dit overzicht op geen enkele wijze onderbouwd. Zoals de voorzieningenrechter in haar uitspraak van 12 november 2025 heeft overwogen, is enkel de stelling dat het gezin in een financiële noodsituatie terecht komt onvoldoende. Het had op de weg van verzoeker gelegen om de belangrijkste inkomsten en uitgaven die in het overzicht worden benoemd met onderliggende stukken te onderbouwen (bijvoorbeeld door middel van een huur- en arbeidsovereenkomst). Nu verzoeker dit heeft nagelaten, kan de voorzieningenrechter geen waarde ontlenen aan het overzicht. Zelfs wanneer het overzicht van verzoeker wel als uitgangspunt door de voorzieningenrechter wordt genomen, is zij van oordeel dat niet is gebleken dat een onomkeerbare situatie dreigt door acute financiële nood. Omdat het gezin van verzoeker nog over het inkomen van vader beschikt en moeder ter zitting heeft toegelicht dat de vaste lasten daarmee kunnen worden betaald, is acute financiële nood niet aan de orde. [1] Het is daarnaast niet gebleken dat het wegvallen van het Pgb ervoor zal zorgen dat [persoon] geen zorg meer zal ontvangen.
Evident onrechtmatig?
4.1.
Omdat de voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan zij de voorziening alleen nog treffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat het voor de voorzieningenrechter overduidelijk is dat het standpunt van verweerder niet juist is. De voorzieningenrechter moet dit kunnen vaststellen zonder grondig onderzoek te doen naar de relevante feiten en/of wettelijke bepalingen van de zaak.
4.2.
Uit het bestreden besluit en uit hetgeen ter zitting is besproken, blijkt dat verzoeker en verweerder van mening verschillen over de vraag of de ouders van verzoeker voldoende hebben meegewerkt aan het onderzoek door het OKT om de aard en omvang van de benodigde jeugdhulp vast te stellen. Volgens verweerder ziet het Daarnaast stelt verweerder dat het onderzoek van jeugdhulpaanbieder Levvel, dat de ouders op eigen initiatief hebben laten uitvoeren, met name op diagnostiek en niet op de aard en omvang van de benodigde jeugdhulp. Het OKT wil daarom zelf nader onderzoek doen, eventueel in samenwerking met Levvel. Volgens verweerder hebben ouders echter geen toestemming gegeven aan het OKT om contact op te nemen met Levvel. Dit standpunt van verweerder is ter zitting door verzoeker uitdrukkelijk betwist. Verzoeker voert aan dat wel degelijk alle medewerking aan het onderzoek van verweerder is verleend en dat ook volledige toestemming is gegeven voor contact tussen het OKT en Levvel.
4.3.
De voorzieningenrechter overweegt dat hetgeen verzoeker aanvoert geen steun vindt in het verslag van de hoorzitting in de bezwaarfase. Op de vraag van verweerder om een akkoord van verzoeker om alsnog onderzoek te laten doen door het OKT [2] wordt geen bevestigend antwoord gegeven. Er wordt verwezen naar het onderzoek van Levvel. Uit het verslag blijkt ook niet dat verzoeker volledige toestemming geeft aan verweerder om contact met Levvel op te nemen. Er lijkt de voorwaarde te worden gesteld dat er alleen op gelijkwaardig deskundigenniveau contact mag worden opgenomen. [3] De voorzieningenrechter is om die reden van oordeel dat op dit moment niet overduidelijk is dat het bestreden besluit onjuist is.
4.4.
Hoewel ten overvloede, wil de voorzieningenrechter partijen wel nog het volgende meegeven. In het verslag van de hoorzitting lijkt verweerder het aanbod te doen om alsnog het onderzoek door het OKT te willen laten uitvoeren. De moeder van verzoeker heeft daarover op de zitting expliciet aangegeven volledige medewerking te willen verlenen aan onderzoek van het OKT en daarbij ongeclausuleerde toestemming te willen geven om contact op te nemen met Levvel.

Conclusie

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af vanwege het ontbreken van spoedeisend belang. Van een evident onrechtmatig besluit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake.
Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep: ECLI:NL:CRVB:2024:1346 ECLI:NL:CRVB:2025:225 en ECLI:NL:CRVB:2025:629.
2.Zie minuut 39:55 van het verslag van de Hoorzitting van 21 november 2025.
3.Zie minuut 1:09:10 van het verslag van de Hoorzitting van 21 november 2025.