ECLI:NL:RBAMS:2026:7047

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
C/13/789523
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WbbArt. 6 WbbArt. 1019ie RvArt. 438 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing tenuitvoerlegging dwangsommen in executiegeschil over gebruik klantenbestand

In deze zaak staat een executiegeschil centraal over de tenuitvoerlegging van dwangsommen die zijn opgelegd wegens het onrechtmatig gebruik van het klantenbestand van TMU door eiser. TMU vordert betaling van dwangsommen omdat eiser volgens haar nog steeds gebruikmaakt van het klantenbestand, terwijl eiser stelt dat hij aan het vonnis heeft voldaan en TMU misbruik maakt van haar executiebevoegdheid.

De voorzieningenrechter oordeelt dat hij bevoegd is kennis te nemen van het geschil omdat de executie in het arrondissement Amsterdam zal plaatsvinden. Bij de beoordeling van de naleving van het vonnis wordt gekeken naar de strekking en het doel van de veroordeling, waarbij correct en te goeder trouw handelen centraal staat.

De voorzieningenrechter stelt vast dat eiser slechts één commerciële e-mail heeft verzonden met een kosteloos product, zonder vervolgcampagnes, en dat hij geen omzet of winst heeft gerealiseerd die toerekenbaar is aan het gebruik van het klantenbestand. Eiser heeft bovendien voldoende openheid gegeven over de marketingactiviteiten en de gerealiseerde omzet en winst. Het vonnis verplicht eiser niet tot het reproduceren van een ledenlijst, wat in strijd zou zijn met de aannemelijke verwijdering van het klantenbestand.

Gelet op deze feiten is de voorzieningenrechter van oordeel dat eiser aan het vonnis heeft voldaan en dat de dwangsommen hun prikkel tot nakoming hebben verloren. De tenuitvoerlegging van de dwangsommen wordt daarom geschorst totdat een andere rechter anders beslist. TMU wordt veroordeeld in de proceskosten van het geding.

Uitkomst: De tenuitvoerlegging van de dwangsommen wordt geschorst en TMU wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/789523 / KG ZA 26-523 EAM/GR
Vonnis in kort geding van 10 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij bij dagvaarding van 19 juni 2026,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J.H. Fellinger,
tegen
de vennootschap naar het recht van de Verenigde Arabische Emiraten
THE MATRIX UNLOCKED MANAGEMENT CONSULTANCY FCZO,
te Dubai (Verenigde Arabische Emiraten),
gedaagde partij,
hierna te noemen: TMU,
advocaat: mr. S.T.L.A. Mulders.

1.De procedure

1.1.
Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 1 juli 2026 heeft [eiser] de dagvaarding toegelicht. TMU heeft verweer gevoerd en een bevoegdheidsincident ingediend aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord tevens houdende incidentele conclusie. [eiser] heeft verweer gevoerd in het bevoegdheidsincident. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
1.2.
Aan de mondelinge behandeling nam namens TMU de heer [naam 1] ( [functie] ) deel via een digitale videoverbinding, in de zittingszaal bijgestaan door mrs. Mulders en [naam 2] . [eiser] was ter zitting aanwezig met mr. Fellinger.
1.3.
Na verder debat is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
TMU is actief in de sector handelseducatie en financiële markten. Het bedrijf
verkoopt cursussen over (aandelen)handel op de financiële markt en wordt geëxploiteerd
door de heer [naam 1] .
2.2.
[bedrijf] is een eenmanszaak, opgericht door [eiser] . Zij is een rechtstreekse
concurrent van TMU.
2.3.
Omstreeks 2 april 2026 is vanaf het e-mailadres [e-mailadres] door
[eiser] een groot aantal commerciële e-mails verstuurd aan e-mailadressen die onderdeel
uitmaken van het klantenbestand van TMU.
2.4.
TMU heeft [eiser] op 13 mei 2026 gedagvaard voor de voorzieningenrechter van deze rechtbank met als inzet
samengevat – [eiser] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
I. te bevelen, op grond van artikel 3 jo Pro. artikel 6 van Pro de Wet bescherming
bedrijfsgeheimen (Wbb), met onmiddellijke ingang iedere verdere verkrijging, openbaarmaking en ieder verder gebruik van het klantenbestand van TMU alsmede de gegevens daarin en afgeleide gegevens te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom;
II. te bevelen, op grond van artikel 6 lid 1 onder Pro c en d Wbb, binnen een door de rechtbank te bepalen termijn alle (digitale en fysieke) dragers waarop het klantenbestand van TMU is vastgelegd, alsmede de gegevens daarin en daarvan afgeleide gegevens, te vernietigen onder verstrekking van een verklaring van een professionele en deskundige derde dat deze gegevens vernietigd zijn en op welke wijze dit is vastgesteld, op straffe van een dwangsom;
III. te bevelen, op grond van artikel 6 lid 1 onder Pro e Wbb, schriftelijk en volledig opgave te doen van:
1. de precieze wijze waarop het klantenbestand van TMU is verkregen alsook de persoon die dat verstrekt heeft;
2. de periode waarin daarvan gebruik is gemaakt;
3. de partijen aan wie het klantenbestand is verstrekt;
4. de aard en omvang van de daarmee verrichte marketingactiviteiten;
5. de daarmee gerealiseerde omzet en winst;
zulks onder overlegging van deugdelijke bescheiden, op straffe van een dwangsom;
IV. te veroordelen in de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die TMU in deze
procedure heeft gemaakt op grond van artikel 1019ie Rv, althans de kosten volgens het liquidatietarief, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis;
V. te veroordelen in de na dit vonnis te maken nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente
daarover vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis.
2.5.
Bij vonnis van 11 juni 2026 (hierna: het vonnis) [1] heeft de voorzieningenrechter het gebruik van het klantenbestand door [eiser] voorshands onrechtmatig geacht. Het dictum van het vonnis in conventie luidt onder meer:
5.1.
beveelt [eiser] de verkrijging, openbaarmaking en ieder verder gebruik van het
klantenbestand van TMU, alsmede de gegevens (waaronder e-mailadressen) daarin, zoals
omschreven in het proces-verbaal van de gerechtsdeurwaarder van 6 mei 2026, te staken en
gestaakt te houden,
5.2.
beveelt [eiser] schriftelijk en onderbouwd opgave te doen van de aard en omvang
van de met het klantenbestand van TMU verrichte marketingactiviteiten, alsmede de daarmee
gerealiseerde omzet en winst,
5.3.
veroordeelt [eiser] om aan TMU een dwangsom te betalen van € 20.000 voor iedere
dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordeling onder 5.1 of 5.2 voldoet, tot een maximum van € 500.000 is bereikt,
5.4.
veroordeelt [eiser] op grond van artikel 1019ie Rv in de redelijke en evenredige
gerechtskosten van € 19.04957 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te
vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de
veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend[.]
2.6.
Het vonnis is enkele uren na afgifte op last van TMU aan [eiser] betekend.
2.7.
Bij brief van 12 juni 2026 heeft [eiser] drie producties aan TMU verstuurd “
ter nakoming van de bevelen onder 5.1 en 5.2 van het vonnis en uitsluitend om iedere discussie over verbeurte van dwangsommen (onderdeel 5.3) te voorkomen.” Dat betreft (1) een excel overzicht van Stripe, de betalingsverwerker van [eiser] , (2) een lijst van 66 e-mailadressen waaraan [eiser] de gewraakte e-mail had gestuurd en die ook (grotendeels) voorkomen in het klantenbestand van TMU en (3) een overzicht van de omzet en winst die [eiser] met het platform ‘
The PO3 Sequence’ tot 1 juni 2026 heeft behaald.
2.8.
Bij e-mail van 13 juni 2026 heeft de advocaat van TMU daarop als volgt gereageerd: “
Cliënt moet constateren dat de heer [eiser] daarmee nog niet heeft voldaan aan het vonnis onder 5.2. Uw cliënt heeft namelijk niet aangegeven aan welke emailadressen de email is verzonden én hoeveel van die mensen uiteindelijk lid zijn geworden van de groep. […] Onder 5.1 is uw cliënt veroordeeld om het gebruik van het klantenbestand én de daarin vervatte gegevens te staken. […] Voor nu wilde ik u in ieder geval informeren dat, mijn cliënt van mening is dat niet aan het vonnis is voldaan en dat de dwangsommen dus doorlopen. Cliënt wil volledige openheid ten aanzien van het gebruik van het klantenbestand.
2.9.
Op 13 juni 2026 heeft [eiser] ’ advocaat gereageerd met het volgende bericht: “
Als alternatief zend ik u namens client de emailadressen die hij bij [naam 3] van [naam 4] heeft opgevraagd, en een export laten maken van alle e-mailadressen van klanten en wanneer zij het gratis en/of betaalde product hebben gekocht vanaf de launch van het nieuwe product van client op 31 maart 2026. Zie bestand: [document] . [naam 3] heeft ook de groei van PO3 Sequence visueel in beeld gebracht. Voor een all-time groei vanaf startdatum tot nu, zie afbeelding: [bestand 1] .
Aan het begin ziet men een flinke spike omhoog, dit komt in de periode 31 maart tot 2 april, hier heeft client ook een ingezoomde versie van gekregen, zie afbeelding: [bestand 2] . Hier is te zien dat de groei op een natuurlijke manier stijgt, en er geen spikes zijn in betaalde groei. En dat er ook geen grote groei plaatsvindt op/na 2 april.
Omdat partijen een duidelijke, openbare geschiedenis hebben samen sinds 2022 - ook op social media, is het vrij logisch is dat zij dus ook overlappende volgers hebben - en dus hun audience interesse kan tonen in elkaars producten. Als er TMU e-mailadressen te vinden zijn tussen de PO3 Sequence klanten, dit hiervan de reden kan zijn. Client heeft hiermee full disclosure gegeven van wat er te disclosen valt over de emailadressen die op 2 april zijn gebruikt. Meer is er niet. Hiermee heeft client voldaan aan 5.2 van het vonnis.” [eiser] heeft daarbij de volledige ledenlijst van
The PO3 Sequenceverstrekt aan TMU.
2.10.
De advocaat van TMU heeft naar aanleiding van het bericht van de zijde van [eiser] van 13 juni 2026 op 15 juni 2026 teruggeschreven dat “
TMU heeft moeten constateren dat 664 e-mailadressen van de PO3 ledenlijst voorkomen in haar klantenbestand. […] Dat betekent ook dat uw cliënt nog steeds gegevens uit het klantenbestand gebruikt, waaronder dus de namen en de emailadressen van in ieder geval deze 664 personen.Daarom handelt uw cliënt in strijd hetgeen is bepaald onder 5.1 van het vonnis.

3.Het geschil

3.1.
Na wijziging van eis vordert [eiser] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I.
primair:TMU te verbieden om uit hoofde van het vonnis enige dwangsom ter zake van dictumonderdeel 5.1 en/of 5.2 op te eisen, te innen of anderszins te executeren en de reeds aangevangen tenuitvoerlegging ter zake van dictumonderdeel 5.1 en 5.2 van het vonnis met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden, alles op straffe van een door TMU te verbeuren dwangsom van € 20.000 per dag of gedeelte daarvan dat TMU hiermee in strijd handelt, met een maximum van € 500.000;
II.
subsidiair:TMU te verbieden om uit hoofde van het vonnis enige tot op de datum van het vonnis beweerdelijke reeds verbeurde dwangsom, ter zake van dictumonderdeel 5.1 en/of 5.2 op te eisen, te innen of anderszins te executeren en de reeds aangevangen tenuitvoerlegging ter zake van tot op de datum van het vonnis beweerdelijk verbeurde dwangsommen ter zake dictumonderdeel 5.1 en 5.2 van het vonnis met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden, alles op straffe van een door TMU te verbeuren dwangsom van € 20.000 per dag of gedeelte daarvan dat TMU hiermee in strijd handelt, met een maximum van € 500.000;
III.
meer subsidiair:TMU te verbieden om uit hoofde van het vonnis enige dwangsom ter zake van dictumonderdeel 5.1 en/of 5.2 op te eisen, te innen of anderszins te executeren en de reeds aangevangen tenuitvoerlegging ter zake van dictumonderdeel 5.1 en 5.2 van het vonnis en te gebieden met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden, totdat bij een onherroepelijke rechterlijke uitspraak op de al dan niet verschuldigdheid van die dwangsommen is beslist, alles op straffe van een door TMU te verbeuren dwangsom van € 20.000 per dag of gedeelte daarvan dat TMU hiermee in strijd handelt, met een maximum van € 500.000;
IV.
uiterst subsidiair:per datum van de dagvaarding, althans per datum van de mondelinge behandeling, althans per datum van het vonnis, de dwangsom op te heffen, dan wel de looptijd ervan op te schorten gedurende de door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, dan wel de dwangsom te verminderen tot
€ 1,00 per dag; en/of het maximum te verbeuren dwangsommen te beperken tot een maximum van € 25,00;
V.
in alle gevallen:TMU te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten en met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij aan het vonnis heeft voldaan en dat TMU misbruik maakt van haar executiebevoegdheid.
3.3.
TMU voert verweer. Voor alle weren concludeert zij bij wege van exceptief verweer tot onbevoegdheid van de rechtbank Amsterdam. Vorderingen I (primair) tot en met III (meer subsidiair) zien immers op een executiegeschil op grond van artikel 438 Rv Pro en in deze geschillen is de rechtbank die het geëxecuteerde vonnis heeft gewezen slechts bevoegd naar de gewone bevoegdheidsregels dan wel als in haar rechtsgebied inbeslagneming plaatsvindt, een of meer van de betrokken zaken zich bevinden of de executie zal geschieden.
3.4.
Materieel voert TMU aan dat zij niet meer vraagt dan waartoe [eiser] in het vonnis is veroordeeld. Op [eiser] rust de bewijslast dat hij zich voldoende heeft ingespannen om aan de veroordelingen te voldoen. TMU is van mening dat [eiser] daar niet aan heeft voldaan en dat de dwangsommen daarom oplopen. [eiser] maakt tot op de dag van vandaag nog steeds gebruik van gegevens uit het klantenbestand van TMU. Dictumonderdeel 5.1 houdt een actieve prestatie in: het staken van het gebruik van het klantenbestand/e-mailadressen. [eiser] heeft nog niet aangetoond dat hij aan deze verplichting heeft voldaan. Dictumonderdeel 5.2 houdt de verplichting in voor [eiser] om een vergelijking te maken tussen alle e-mailadressen op de ledenlijst van [eiser] – die ook voorkomen in het klantenbestand van TMU – en zijn eigen overzicht van Stripe betalingen. [eiser] heeft evenwel slechts de 66 e-mailadressen (die als productie 6 waren ingediend bij het eerste kort geding) vergeleken met zijn eigen Stripe overzicht. [eiser] heeft derhalve nog niet laten zien hoeveel omzet en winst hij heeft gerealiseerd met het gehele klantenbestand van TMU, waardoor hij dus ook nog niet heeft voldaan aan dictumonderdeel 5.2. Dat betekent dat de dwangsommen (dictumonderdeel 5.3) hun prikkel tot nakoming nog niet hebben verloren. Volgens TMU dient daarbij slechts de ‘Ritzen/Hoekstra-maatstraf’ te worden aangehouden.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan

4.De beoordeling

in het incident:
4.1.
De voorzieningenrechter acht zich bevoegd om van de onderhavige vorderingen kennis te nemen. Vorderingen I tot en met III zien op een executiegeschil waarop artikel 438 Rv Pro van toepassing is. De eerste volzin van het eerste lid van dit artikel bepaalt onder meer dat de rechtbank binnen het rechtsgebied waar de executie zal geschieden bevoegd is kennis te nemen van het executiegeschil. De voorzieningenrechter acht het voorshands voldoende aannemelijk dat de executie in het arrondissement Amsterdam zal geschieden. [eiser] is daar woonachtig en het vonnis is daar ook betekend, waarbij de dwangsommen ook zijn aangezegd door een in Amsterdam gevestigd advocatenkantoor. TMU heeft daartegenover onvoldoende (onderbouwd) gesteld dat de executie mogelijk (ook) elders zal geschieden. Zij heeft slechts gesteld dat het “
nog niet” duidelijk is waar de executie zal geschieden. Dat de executie niet (ook) in Amsterdam zal geschieden acht de voorzieningenrechter gelet op de processtukken en hetgeen partijen over en weer ter terechtzitting hebben verklaard onwaarschijnlijk.
in de hoofdzaak:
4.2.
In een executiegeschil als dit, waarbij het erom gaat of dwangsommen zijn verbeurd omdat niet is voldaan aan een veroordeling om iets te doen (of na te laten), dient de voorzieningenrechter zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte (of gestaakte) handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij moet de voorzieningenrechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen, in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. Ook dient tot uitgangspunt dat de naleving van het in het vonnis opgelegde correct en te goeder trouw moet geschieden. Daarbij geldt dat geen dwangsommen worden verbeurd indien het onredelijk zou zijn van de veroordeelde meer inspanningen en zorgvuldigheid te vergen dan hij heeft betracht.
4.3.
TMU voert aldus terecht aan dat de voorzieningenrechter het dictum van het vonnis objectief moet uitleggen in het licht van de overwegingen waarop het dictum berust, waarbij betekenis kan toekomen aan de processtukken en bovendien de redelijkheid en billijkheid een rol spelen.
4.4.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt (i) dat er één commercieel bericht in één verzendmoment is verzonden, met aanbieding van een kosteloos product, (ii) dat er geen vervolg- of herhalingscampagne, geen varianten en geen follow-ups hebben plaatsgevonden, (iii) dat hij niet over verzendstatistieken beschikt, (iv) dat met de gewraakte e-mail van 2 april 2026 geen omzet en geen winst is gerealiseerd die toerekenbaar is aan het gebruik van het klantenbestand van TMU, nu een kosteloos product ‘
PO3 Ranges Indicator’ werd aangeboden; en (v) dat de met het betaalde product
The PO3 Sequencein 2026 behaalde omzet tot 1 juni 2026
€ 13.487,69 bedroeg en de winst € 8.081,69.
4.5.
[eiser] had naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen ledenoverzicht van
The PO3 Sequencehoeven te verstrekken. Het vonnis kan niet zo worden uitgelegd dat [eiser] de exacte ontvangende adressen zou moeten reproduceren, want dat stuit af op zijn in het vonnis aannemelijk geachte verwijdering van het klantenbestand van TMU. TMU kan niet de reproductie van een adreslijst als een met dwangsom gesanctioneerde verplichting verlangen, terwijl de integrale verwijdering daarvan door [eiser] door de voorzieningenrechter in het eerdere vonnis aannemelijk is geacht. Dictumonderdeel 5.1 moet in dat verband worden uitgelegd als een stok achter de deur voor TMU (en een bevestiging van de onrechtmatigheid van het gebruik van haar klantenbestand door [eiser] ).
4.6.
Daarnaast verplicht dictumonderdeel 5.2 [eiser] tot opgave van uitsluitend twee categorieën: enerzijds de aard en omvang van de met het klantenbestand verrichte marketingactiviteiten en anderzijds de daarmee gerealiseerde omzet en winst. [eiser] heeft die opgave op 12 juni 2026 verstrekt en aangevuld op 13 juni 2026.
4.7.
Doel van de veroordeling in het vonnis is afschrikking, alsmede het voor TMU inzichtelijk maken welke (indirecte) schade zij mogelijk heeft geleden. Gelet op de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, is de voorzieningenrechter van oordeel dat aan (de bedoeling van) het vonnis van 11 juni 2026 is voldaan. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat [eiser] na de betekening van het vonnis, en de nadere berichten van TMU, onmiddellijk en zorgvuldig heeft gehandeld en daarbij meer heeft gedaan dan wat op basis van het vonnis van hem werd gevergd.
4.8.
De conclusie is dan ook dat [eiser] aan het vonnis heeft voldaan. De door TMU gewenste “
volledige openheid ten aanzien van het gebruik van het klantenbestand” (zie 2.8) schiet aan het doel van het vonnis voorbij. Al met al is aannemelijk geworden dat [eiser] te goeder trouw en naar behoren uitvoering heeft gegeven aan het vonnis van 11 juni 2026.
4.9.
Dat [eiser] in de discussie over de winst en omzet die toerekenbaar zijn aan het gebruik van het klantenbestand niet zelf heeft verklaard hoeveel omzet en winst daaraan precies kan worden toegerekend, maakt dit niet anders.
Partijen lijken het er immers over eens te zijn dat [eiser] zijn totale omzet- en winstcijfers heeft gedeeld zodat het vonnis, gelet op het vorenstaande, zijn doel heeft bereikt.
4.10.
De voorzieningenrechter zal op grond van het bovenstaande de tenuitvoerlegging van het vonnis van 11 juni 2026 schorsen, voor zover het de incassering van dwangsommen betreft. Hieraan behoeft geen dwangsom te worden verbonden. De schorsing zal gelden totdat een andere rechter anders beslist.
4.11.
[eiser] is in het gelijk gesteld en daarom moet TMU zijn proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
151,94
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.858,94
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis van 11 juni 2026, voor zover het de incassering van dwangsommen betreft, totdat een andere rechter anders beslist,
5.2.
veroordeelt TMU in de proceskosten van € 1.858,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als TMU niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt TMU tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, bijgestaan door
mr. G.P. Raats, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.
Coll: MV

Voetnoten

1.Rechtbank Amsterdam 11 juni 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5976