ECLI:NL:RBAMS:2026:6995

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
81/323024-22 / 26-012208
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 181 SvArt. 182 SvArt. 238 SvArt. 262 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid Openbaar Ministerie wegens vormverzuim bij dagvaarding in fiscale strafzaak

De rechtbank Amsterdam behandelde het bezwaar van de verdachte tegen de dagvaarding in een fiscale strafzaak. De verdediging voerde drie pijlers aan: het ontbreken van bewijs voor opzet op onjuiste belastingaangiften, het prematuur dagvaarden zonder regiefase ex artikel 181/182 Sv, en het onrechtmatig betrekken van stukken waarop verschoningsrecht rust.

De rechtbank oordeelde dat het bezwaarschrift gegrond is omdat het Openbaar Ministerie de belangen van de verdediging onvoldoende heeft meegewogen bij de beslissing tot dagvaarding. Uit een e-mail van het Openbaar Ministerie bleek dat de dagvaarding vooral werd gedreven door publicitaire belangen, waardoor de regiefase werd overgeslagen. Dit vormde een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde.

De rechtbank verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging, waardoor het vormverzuim hersteld wordt en de regiefase alsnog kan plaatsvinden. De zaak kan later opnieuw worden voortgezet, rekening houdend met lopende cassatieprocedures en onderzoekswensen van de verdediging.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens een vormverzuim bij de dagvaarding, waardoor de regiefase alsnog kan plaatsvinden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
Raadkamernummer : 26-012208
Parketnummer : 81/323024-22
Datum beslissing : 9 juli 2026
beslissing van de meervoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 262 van Pro het Wetboek van Strafvordering van:

[bezwaarde] ,

geboren op [geboortedag] 1969 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] .

Feiten en procedure

Het dossier met bovengenoemd parketnummer bevat een dagvaarding tegen [bezwaarde] , die op 22 april 2026 is betekend. Het bezwaarschrift is op 28 april 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het bezwaarschrift is overeenkomstig het bepaalde in artikel 262, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) binnen acht dagen na de betekening van de dagvaarding bij de rechtbank ingediend. [bezwaarde] is daarom ontvankelijk in zijn bezwaar en de rechtbank is bevoegd het bezwaar te behandelen.
Het Openbaar Ministerie heeft voorafgaand aan de behandeling van het bezwaarschrift een schriftelijk standpunt ten aanzien van het bezwaarschrift ingediend. Voorts is er via e-mail gecorrespondeerd en zijn stukken overgelegd door zowel de verdediging als het Openbaar Ministerie. De rechtbank heeft daarnaast op 16 juni 2026 een e-mail van de administratie van het Openbaar Ministerie van 15 juli 2024, gericht aan de Verkeerstoren (het samenwerkingsverband van de rechtspraak en het Openbaar Ministerie dat de planning van strafzaken regelt) doorgestuurd aan partijen.
Noot griffier: alle hiervoor bedoelde e-mails (met bijlagen) worden in het dossier gevoegd.De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de stukken in de strafzaak met bovengenoemd parketnummer.
De rechtbank heeft op 19 juni 2026 het klaagschrift in besloten raadkamer behandeld. De rechtbank heeft bezwaarde, zijn raadslieden mrs. J.T.E. Vis, B.J.G.L. Jaeger en J. Hagers, advocaten te Amsterdam, en de officieren van justitie mrs. M. Lambregts en S. Leeman (hierna: de officier van justitie) ter terechtzitting gehoord.

Bezwaar

Het bezwaar richt zich tegen de tegen [bezwaarde] uitgebrachte dagvaarding. De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift gegrond moet worden verklaard en [bezwaarde] buiten vervolging moet worden gesteld op grond van drie pijlers. De rechtbank vat deze als volgt samen.
Pijler 1: het is evident dat het voor artikel 69 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen relevante opzet op het doen van onjuiste belastingaangiften niet kan worden bewezen. De fiscale procedure zoals die tot nu toe is gevoerd, waarin (kort gezegd) de rechtbank [bezwaarde] in het gelijk stelde en het hof de Belastingdienst in het gelijk stelde, laat namelijk zien dat sprake is van een pleitbaar standpunt.
Pijler 2: Het Openbaar Ministerie heeft prematuur gedagvaard, in die zin dat zij de verdediging de regiefase bij de rechter-commissaris (hierna: regiefase ex 181/182 Sv) heeft misgund en ontzegd. Deze fase dient onder andere om de verdediging de mogelijkheid te geven om invloed uit te oefenen op de vervolgingsbeslissing.
Pijler 3: In het dossier bevinden zich stukken waarop volgens de verdediging verschoningsrecht rust. De rechter-commissaris heeft geoordeeld dat het Openbaar Ministerie en de leden van het onderzoeksteam kennis mogen nemen van deze stukken. De raadkamer heeft de verdediging niet-ontvankelijk verklaard in het bezwaar hiertegen en de verdediging heeft tegen de laatst genoemde beslissing cassatie ingesteld. Indien dit cassatieberoep slaagt, zouden bedoelde stukken alleen in het kader van een verzoek ex artikel 181/182 Sv nog uit het dossier kunnen worden gehaald. Deze mogelijkheid vervalt wanneer het onderzoek ter terechtzitting aanvangt.
Subsidiair verzoekt de verdediging om de behandeling van het bezwaarschrift aan te houden en de zaak te verwijzen naar de rechter-commissaris op grond van artikel 262 lid 3 Sv Pro. De verdediging heeft onderzoekswensen bij de rechter-commissaris ingediend waarop het Openbaar Ministerie nog niet heeft gereageerd en waarop de rechter-commissaris nog niet heeft beslist. Dat proces moet worden afgewacht. Verder moeten ook de fiscale cassatieprocedures en de cassatieprocedure met betrekking tot de verschoningsgerechtigde stukken eerst te worden afgerond zodat die arresten aan het dossier kunnen worden toegevoegd.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie concludeert tot ongegrondverklaring van het bezwaar. Voor buitenvervolgingstelling is vereist dat de rechtbank op grond van het summiere onderzoek in raadkamer oordeelt dat een veroordeling evident onhaalbaar is. Daarvan is in dit geval geen sprake.
Pijler 1 kan niet tot dit oordeel leiden, omdat de strafrechter niet gebonden is aan de beslissingen van de belastingrechter. Bovendien stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat (al dan niet zonder meer op grond van de uitspraken van de rechtbank en het hof in de fiscale zaken) niet kan worden geoordeeld dat sprake is van een pleitbaar standpunt.
Pijler 2 kan evenmin tot het oordeel leiden dat [bezwaarde] buiten vervolging moet worden gesteld, omdat het Openbaar Ministerie de verdediging geen regiefase ex 181/182 Sv heeft onthouden en niet lichtvaardig tot vervolging is overgegaan. De verdediging was afwachtend en diende nog geen (inhoudelijke) onderzoekswensen in. Het Openbaar Ministerie heeft zijn uit artikel 238 lid 2 Sv Pro volgende verplichting vervuld om het voornemen tot dagvaarding onverwijld aan de rechter-commissaris mee te delen. Dit voornemen ontstond kort na het afnemen van het laatste verhoor van [bezwaarde] bij de FIOD, door welk verhoor de ernstige bezwaren zijn toegenomen. De e-mail van 15 juli 2024, die vanuit de administratie van het Openbaar Ministerie is verstuurd naar de Verkeerstoren, heeft geen strafvorderlijke betekenis en is ook niet aan te merken als een voornemen tot dagvaarding als bedoeld in artikel 238 Sv Pro. Deze e-mail moet slechts worden gezien als een toelichting op een te verwachten vraag van de rechtbank in het kader van de planning van zaken.
Tot slot kan ook pijler 3 niet tot dit oordeel leiden, gelet op het standpunt van het Openbaar Ministerie dat er geen verschoningsrecht (meer) rust op de stukken waar de verdediging op doelt.

Beoordeling

Pijler 1
De rechtbank stelt voorop dat de bezwaarschriftprocedure een summier karakter draagt. Op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de rechtbank beoordelen of het, op grond van het verhandelde in deze procedure, hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, door de voor hem geleverde bewijsvoering de tenlastegelegde feiten geheel of gedeeltelijk bewezen zal achten. Slechts dan kan een bezwaarschrift tegen de dagvaarding gegrond worden verklaard.
De rechtbank oordeelt dat hetgeen is aangevoerd onder pijler 1 niet tot de conclusie kan leiden dat het bezwaarschrift gegrond moet worden verklaard. De rechtbank gaat niet mee in de stelling van de verdediging dat op grond van de omstandigheid dat de rechtbank en het hof afwijkend van elkaar hebben geoordeeld in de fiscale zaak, zonder meer kan worden geconcludeerd dat sprake is van een pleitbaar standpunt en dat gelet hierop opzet op het doen van onjuiste belastingaangiften niet kan worden bewezen. Het verweer, dat sprake is van een pleitbaar standpunt, is geen zuiver juridisch verweer en beoordeling daarvan vereist nader debat en in ieder geval enige feitenvaststelling. Gelet op het beoordelingskader, zoals hiervoor vermeld, leent de bezwaarschriftprocedure zich hier niet voor.
Pijler 2
Feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van hetgeen is aangevoerd onder pijler 2 zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Op 6 juni 2023 is [bezwaarde] aangehouden. Op 4 juli 2023 en op 24 november 2023 heeft de verdediging op grond van artikel 182 Sv Pro onderzoekswensen ingediend bij de rechter-commissaris. Tegen de afwijzing van de op de laatstgenoemde datum ingediende onderzoekswensen heeft de verdediging bezwaar ingesteld, dat de raadkamer in deze rechtbank op 9 juli 2024 ongegrond heeft verklaard.
Op 15 juli 2024 is door de administratie van het Openbaar Ministerie aan de Verkeerstoren een e-mail gestuurd die betrekking had op deze zaak, inhoudende:
Graag dus 1 dag regie rechtbank ivm persgevoeligheid en fiscale specialisme…
Dit is een zeer publicitair gevoelige zaak in de categorie dividendstrippen waarin wij een groot belang hebben in 2025 in het openbaar op een regiezitting aan de samenleving aan te kunnen geven dat wat het OM betreft het onderzoek gereed is. En niet pas twee jaar later, na afronding van regiefase achter gesloten deuren bij r-c. Daarnaast is het een fiscaal technische zaak, zodat een meervoudige strafkamer beter geëquipeerd is om beslissingen te nemen dan een enkele r-c.
Door de officier van justitie mr. Lambregts is ter terechtzitting bevestigd dat het tweede, inhoudelijke deel van de e-mail (vanaf “Dit is een…”) door hem is geschreven en is doorgestuurd aan de administratie van het Openbaar Ministerie.
Op 18 februari 2025 heeft het het laatste verhoor van [bezwaarde] bij de FIOD plaatsgevonden en op 3 maart 2025 heeft het Openbaar Ministerie zijn voornemen tot dagvaarden kenbaar gemaakt aan de rechter-commissaris.
Na deze kennisgeving op 3 maart 2025 zijn door zowel de verdediging als door het Openbaar Ministerie onderzoekswensen ingediend bij de rechter-commissaris. De verdediging is vervolgens tegen de afwijzing van de door haar ingediende verzoeken in bezwaar gegaan. De raadkamer van deze rechtbank heeft [bezwaarde] op 2 december 2025 niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar, omdat de rechter-commissaris niet bevoegd was om te beslissen op de na de kennisgeving van het voornemen tot dagvaarding ingediende onderzoekswensen.
Voorts is in dit kader relevant dat de stukken, waarop volgens de verdediging verschoningsrecht zou rusten, stukken betreffen uit de fiscale procedure(s), die namens [bezwaarde] aan de Belastingdienst zijn verstrekt. Deze stukken zijn door de Belastingdienst aan het Openbaar Ministerie verstrekt en maken op dit moment onderdeel uit van het dossier in onderhavige strafzaak. De rechter-commissaris heeft op 19 augustus 2025 geoordeeld dat de vertrouwelijkheid van deze stukken (ook) is prijsgegeven met betrekking tot het mogelijk strafrechtelijke vervolg op de fiscale zaak en dat de officier van justitie en het onderzoeksteam kennis mogen nemen van de bedoelde stukken. [1] Hiertegen heeft de verdediging een klaagschrift ingediend als bedoeld in artikel 552a jo. 98 Sv. De raadkamer heeft op 2 december 2025 [bezwaarde] niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht, omdat geen sprake zou zijn van onderzoek aan in beslag genomen stukken en een klacht op grond van voorgaande artikelen dus niet mogelijk is. [2] De verdediging is tegen deze beslissing in cassatie gegaan.
Beoordeling
De rechtbank overweegt allereerst dat een beslissing tot dagvaarden is voorbehouden aan het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie heeft hierin een ruime beslissingsbevoegdheid.
De verdediging heeft in dit kader betoogd dat met de Wet versterking positie rechter-commissaris is beoogd dat een verdachte in de regiefase ex 181/182 Sv in staat moet worden gesteld om in een vroeg stadium de afdoeningsbeslissing (en in dit geval meer specifiek de dagvaardings- of vervolgingsgsbeslissing) te beïnvloeden. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit deze wet, de wetsgeschiedenis of de jurisprudentie niet blijkt dat een verdachte zonder meer de mogelijkheid moet worden geboden om de beslissing tot dagvaarding te beïnvloeden. Ook heeft een verdachte niet zonder meer een recht op een regiefase ex 181/182 Sv, dat niet zou mogen worden doorkruist door een (voornemen tot) dagvaarding.
De rechtbank overweegt dat de officier van justitie bij zijn vervolgingsbeslissing en de beslissing tot dagvaarding wel is gebonden aan de beginselen van een behoorlijke procesorde. Hieronder vallen onder meer het beginsel van
equality of armsen een zorgvuldige belangenafweging. De rechtbank oordeelt dat de beslissing tot dagvaarding in deze zaak niet in overeenstemming met die beginselen is genomen. Uit de e-mail van 15 juli 2024 leidt de rechtbank af dat het Openbaar Ministerie zich bij zijn beslissing tot dagvaarding met name heeft laten leiden door de wens om deze zaak vanwege publicitaire belangen zo snel mogelijk op een openbare zitting te presenteren en de regiefase ex 181/182 Sv achter gesloten deuren over te slaan. Niet is gebleken dat het Openbaar Ministerie, gelet op deze mail en de overige stukken in het dossier, bij deze beslissing de belangen van de verdediging bij een regiefase ex 181/182 Sv voldoende heeft meegewogen. De officier van justitie heeft in zijn schriftelijk standpunt en tijdens de behandeling van het bezwaarschrift ook niet gesteld dat het eventuele belang van de verdediging bij een regiefase onderdeel is geweest van de overwegingen die ten grondslag lagen aan de beslissing tot dagvaarding.
Voorts loopt nog een cassatieprocedure over stukken waar volgens de verdediging verschoningsrecht op rust. Uit de wet en jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat stukken na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting niet meer uit het dossier kunnen worden verwijderd. De rechtbank is van oordeel dat alleen al gelet hierop het belang van de verdediging op dit moment bij een regiefase ex 181/182 Sv is gegeven.
De rechtbank oordeelt op grond van het voorgaande dat sprake is van een vormverzuim, in die zin dat het Openbaar Ministerie een inbreuk heeft gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde door in dit stadium op voornoemde gronden tegen [bezwaarde] een voornemen tot dagvaarding ter kennis te geven aan de rechter-commissaris en daarna een dagvaarding uit te brengen. De rechtbank zal het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging. Hierbij overweegt zij dat hiermee de situatie hersteld wordt zoals die bestond vóór de kennisgeving van het voornemen tot dagvaarding door het Openbaar Ministerie op 3 maart 2025. De rechtbank oordeelt dan ook dat sprake is van een herstelbaar vormverzuim, in die zin dat de regiefase ex 181/182 Sv alsnog plaats kan vinden. Zij zal [bezwaarde] dan ook niet buiten vervolging stellen. Het Openbaar Ministerie kan desgewenst later opnieuw een (voornemen tot) dagvaarding uitbrengen tegen [bezwaarde] . [3] Hierbij gaat de rechtbank ervan uit dat het Openbaar Ministerie rekening zal houden met de lopende procedure ten aanzien van het verschoningsrecht en met de door de verdediging bij de rechter-commissaris geuite en nog te uiten onderzoekswensen.
Hetgeen door de verdediging voor het overige is aangevoerd, behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking meer.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het bezwaarschrift gegrond;
 verklaart het Openbaar Ministerie ten aanzien van de dagvaarding van 8 april 2026, niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door
mr. H.J. Bos, voorzitter,
mrs. M.R.J. van Wel en C. Wildeman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.C. Roodenburg, griffier,
en in besloten raadkamer uitgesproken op 9 juli 2026.

Voetnoten

3.In dit geval is dus sprake van niet-ontvankelijkheid ‘sec’, vgl. HR 10 december 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC1734,