ECLI:NL:RBAMS:2026:6657

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
12208105 CV EXPL 26-6248
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit Gemeentelijke SchuldhulpverleningRichtlijn 93/13 EGArt. 4 lid 2 Richtlijn 93/13 EGArt. 6:96 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens huurachterstand en oneerlijke beding

Eiser, een stichting, vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woonruimte vanwege een aanzienlijke huurachterstand. Gedaagde verschijnt niet, waarna verstek wordt verleend. De kantonrechter toetst ambtshalve de huurovereenkomst aan Richtlijn 93/13 EG over oneerlijke bedingen, omdat het een consument betreft.

De huurprijs- en servicekostenbedingen worden als kernbedingen en transparant beoordeeld en niet als oneerlijk aangemerkt. De bepalingen over huurprijswijziging zijn eveneens niet oneerlijk. Wel wordt artikel 25.2 van de algemene voorwaarden, dat buitengerechtelijke incassokosten regelt, als oneerlijk beoordeeld omdat het niet duidelijk maakt dat wettelijke regels van toepassing zijn en mogelijk hogere kosten toelaat dan wettelijk toegestaan.

De kantonrechter laat dit beding buiten toepassing en wijst de buitengerechtelijke incassokosten af. Ondanks dat de huurachterstand op zichzelf ontbinding niet zou rechtvaardigen, leidt herhaaldelijk niet tijdig betalen en eerdere veroordelingen tot toewijzing van ontbinding en ontruiming. De gevorderde machtiging voor eigen ontruiming wordt afgewezen omdat ontruiming door een deurwaarder moet worden uitgevoerd. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van huurachterstand, wettelijke rente, maandelijkse huur tot ontruiming en proceskosten.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden, ontruiming bevolen en gedaagde veroordeeld tot betaling van huurachterstand, rente en proceskosten; een oneerlijk beding inzake incassokosten wordt buiten toepassing gelaten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 12208105 CV EXPL 26-6248
vonnis van: 16 juni 2026
fno.: 506

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de stichting [eiser]

gevestigd te [vestigingsplaats]
eisende partij
gemachtigde: mr. M. van der Heijde (TienG Gerechtsdeurwaarders)
t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
niet verschenen

Verloop van de procedure

Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag.

Gronden van de beslissing

1. Eisende partij vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde alsmede betaling van de huurachterstand vermeerderd met rente en kosten.
Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening
2. De kantonrechter heeft vastgesteld dat eisende partij heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen
3. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68).
4. Eisende partij heeft de tussen haar vertegenwoordiger (Rappange Administratie B.V.) en de heer en mevrouw [naam] huurovereenkomst met betrekking tot de zelfstandige woonruimte aan het adres [adres] (ingangsdatum 5 november 2021), de indeplaatsstelling van gedaagde partij per 1 oktober 2024 en de op de huurovereenkomst van toepassing zijnde algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte (ROZ) 20 maart 2017 (verder: de algemene voorwaarden) in het geding gebracht.
5. Het huurprijsbeding en servicekostenbeding (artikel 4.5) in de huurovereenkomst zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van Pro de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.
6. Het betreft geliberaliseerde huur. De bedingen die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten artikel 5.2 (huurprijswijziging) van de huurovereenkomst en de artikelen 16 (huurprijswijziging) en 17.13 (wijziging voorschot servicekosten) van de algemene voorwaarden zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijk bevonden.
7. Opgemerkt wordt dat de artikelen 5.3 en 5.5 van de huurovereenkomst in dit geval niet door de kantonrechter worden getoetst. Deze artikelen geven de verhuurder de bevoegdheid om herziening van de huurprijs voor te stellen door middel van aanpassing van de huurprijs aan de ontwikkelingen van de markthuurprijs. Een dergelijke huurprijsherziening kan voor het eerst plaatsvinden wanneer tenminste vijf huurjaren zijn verstreken. In dit geval is de initiële huurovereenkomst ingegaan per 5 november 2021. Een huurprijsaanpassing in voornoemde zin heeft zich dus nog niet kunnen voordoen. Er is dus geen aanwijzing dat de vordering (deels) op dit beding gegrond is.
8. Tot slot is artikel 25.2 van de algemene voorwaarden door de kantonrechter getoetst.
Dit artikel luidt als volgt:
25.2
In alle gevallen waarin (ver)huurder een sommatie, een ingebrekestelling of een exploot aan (ver)huurder doet uitbrengen, of in geval van procedures tegen (ver)huurder om deze tot nakoming van de huurovereenkomst of huurder tot ontruiming te dwingen, is (ver)huurder verplicht alle daarvoor gemaakte kosten, zowel in als buiten rechte – met uitzondering van de ingevolge een definitieve rechtelijke beslissing door (ver)huurder te betalen proceskosten – aan (ver)huurder te voldoen, voor zover op de vergoeding van die kosten de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het Besluit incassokosten niet van toepassing is.
9. Het hiervoor geciteerde beding over buitengerechtelijke incassokosten (artikel 25.2 van de algemene voorwaarden) is oneerlijk, omdat daarin niet (voldoende duidelijk) staat dat de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten) in het geval van een consument moet worden toegepast. Dit kan ertoe leiden dat hogere kosten voor rekening van de consument komen dan wettelijk is toegestaan.
10. Artikel 25.2 van de algemene voorwaarden is ook oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv Pro kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen.
11. Eisende partij had in de dagvaarding omtrent de (on)eerlijkheid van het op de vordering zijnde toepasselijke beding in artikel 25.2 van de algemene voorwaarden een standpunt moeten innemen. Nu eisende partij dit voorgaande niet heeft gedaan zal zij daartoe geen gelegenheid meer voor krijgen.
12. Het voorgaande betekent dat het onder r.o. 8 geciteerde beding buiten toepassing wordt gelaten en de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.
De vordering
13. De vordering komt voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder anders is overwogen.
14. De omvang van de (nu nog bestaande) huurachterstand is zodanig dat deze een ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen in beginsel niet zou rechtvaardigen. Echter, de omstandigheid dat gedaagde partij herhaaldelijk in rechte is betrokken wegens huurachterstand en tot betaling is veroordeeld (voor het laatst bij vonnis van 14 april 2026) brengt mee dat de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en de gevorderde ontruiming toch worden toegewezen. Van eisende partij kan niet worden gevergd een huurovereenkomst nog langer in stand te houden met gedaagde partij nu hij gedurende een langere periode stelselmatig niet (tijdig) aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan.
15. Eisende partij heeft een machtiging gevorderd om zelf de ontruiming te bewerkstelligen. Dit is onverenigbaar met artikel 556 lid 1 Rv Pro, dat voorschrijft dat de gedwongen ontruiming geschiedt door de deurwaarder. De deurwaarder zelf behoeft geen rechterlijke machtiging voor het inroepen van de hulp van de sterke arm. Die bevoegdheid ontleent hij rechtstreeks aan artikel 557 Rv Pro, waarin artikel 444 Rv Pro van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. De door eisende partij gevorderde machtiging om de ontruiming zelf uit te voeren, zal dan ook worden afgewezen.
16. De ontruimingstermijn wordt gesteld op twee weken.
17. Gedaagde partij zal worden veroordeeld in de proceskosten.

BESLISSING

De kantonrechter:
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak (de woonruimte) aan het adres [adres];
veroordeelt gedaagde partij om deze onroerende zaak met al wie en al wat zich daarin vanwege gedaagde partij bevindt, binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van eisende partij te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;
veroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij:
€ 2.840,68 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met 30 april 2026, vermeerderd met de wettelijke rente over het voorgenoemde bedrag vanaf de dag der dagvaarding (24 april 2026) tot de voldoening;
€ 10,97 ter zake van meegevorderde wettelijke rente;
€ 1.420,04 per maand vanaf 1 mei 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt;
veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 153,02 aan explootkosten, € 253,00 aan salaris gemachtigde, € 529,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.