ECLI:NL:RBAMS:2026:6643

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
81.107249.22
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 SrArt. 140 SrArt. 339 SrArt. 31 SrArt. 28 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot gevangenisstraf voor grootschalige oplichting via Forward Gold Sale

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte schuldig bevonden aan medeplegen van oplichting en deelname aan een criminele organisatie die via de verkoop van Forward Gold Sale (FGS) certificaten investeerders misleidde. De FGS-certificaten beloofden levering van goud na tien maanden, afkomstig uit een mijn in Tanzania, maar de werkelijkheid was dat het goud grotendeels werd gefinancierd met inleg van nieuwe kopers en dat de mijn nauwelijks produceerde.

De verkoop vond plaats via Nederlandse agentschappen en resellers, waarbij grote commissies werden betaald en slechts een klein deel van de gelden naar de mijnbouwactiviteiten ging. Kopers werden misleid met brochures, websites, interviews en certificaten die een betrouwbare goudproductie en een beursgenoteerd bedrijf suggereerden. De rechtbank oordeelde dat verdachte en medeverdachten bewust een onjuiste voorstelling van zaken creëerden en daarmee het vertrouwen van kopers misbruikten.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte vanaf september 2016 betrokken was bij de organisatie en dat zij zicht had op de geldstromen en de onmogelijkheid om de beloofde goudleveringen na te komen. Gelet op de ernst, de omvang van de schade en de duur van de oplichting legde de rechtbank een gevangenisstraf van 21 maanden op, met een beroepsverbod van zes jaar. Tevens werd openbaarmaking van het vonnis gelast. De straf is gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 21 maanden gevangenisstraf en een beroepsverbod van zes jaar wegens medeplegen van oplichting en deelname aan een criminele organisatie.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 81.107249.22
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81.107249.22
Datum uitspraak: 1 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: [verdachte] .

Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 20, 21, 26 en 27 november 2025, 2, 11, 15 en 16 december 2025, 13 januari 2026 en 1 juli 2026. Op laatstgenoemde zittingsdatum is het onderzoek gesloten en uitspraak gedaan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. M.I.M. Geertsema en B.B.A. Frakking (hierna: de officieren van justitie), en van wat verdachte en haar raadslieden, mrs. J.S. Spijkerman en K.D.M. de Lange, naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft de zaak tegen verdachte gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ), [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ), [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ), [medeverdachte 7/bedrijf] B.V. (hierna: [medeverdachte 7/bedrijf] ) en [medeverdachte 8/bedrijf] B.V. (hierna: [medeverdachte 8/bedrijf] ). De rechtbank doet in al deze zaken gelijktijdig uitspraak.
De tegen medeverdachte [medeverdachte 9] aangebrachte zaak is vanwege zijn overlijden kort vóór aanvang van de inhoudelijke behandeling, door het Openbaar Ministerie ingetrokken

Tenlastelegging

Inleiding

[medeverdachte 1] (die de [nationaliteit] nationaliteit heeft) was de CEO van de Amerikaanse onderneming [onderneming 1] Inc. (hierna: [onderneming 1] ). [medeverdachte 1] hield zich onder andere via deze onderneming bezig met de exploitatie van goudmijnen, eerst in Canada en later ook in Tanzania. Voor de exploitatie van deze goudmijnen had [medeverdachte 1] financiering nodig en hij heeft deze geprobeerd te verkrijgen door de verkoop van zogenoemde Forward Gold Sales (hierna: FGS), al dan niet via obligaties.
FGS wordt in het dossier als volgt gedefinieerd. Een FGS is een termijnverkoop en dit hield in dit geval in dat aan een koper een hoeveelheid goud werd verkocht tegen de op het moment van aankoop geldende marktprijs met een korting van minstens 10%. Er werd overeengekomen dat dit goud na tien maanden zal worden geleverd. Wanneer er in het vervolg van het vonnis over FGS wordt gesproken, is dit wat de rechtbank daaronder verstaat.
[medeverdachte 1] is begonnen met de verkoop van FGS in het Verenigd Koninkrijk en is er in Nederland mee verdergegaan. Voor de verkoop van FGS in Nederland maakte hij gebruik van agentschappen en zogenoemde
resellers. Er werden agentuurovereenkomsten gesloten met agentschappen op basis waarvan deze agentschappen toestemming werd gegeven om over een bepaalde periode FGS te verkopen (
sales allowances). De agentschappen administreerden de FGS-verkopen en onderhielden daarover contact met [medeverdachte 1] . Voor de daadwerkelijke verkoop van FGS sloten de agentschappen een
reseller-overeenkomst met de
resellers, die contact hadden met (potentiële) klanten.
Vanaf medio 2015 trad [medeverdachte 7/bedrijf] op als agentschap voor de verkoop van FGS in Nederland. [medeverdachte 3] was oprichter van [medeverdachte 7/bedrijf] , tot april 2017 een van de bestuurders en tot juli 2017 direct, dan wel indirect, mede-aandeelhouder. Vanaf april 2017 was [medeverdachte 2] enig bestuurder van [medeverdachte 7/bedrijf] en vanaf juli 2017 is hij samen met zijn toenmalige echtgenote [medeverdachte 5] 100% aandeelhouder. [verdachte] verrichtte vanaf september 2016 werkzaamheden voor [medeverdachte 7/bedrijf] . Zij deed dit eerst als zzp’er en vanaf december 2018 als werknemer.
[medeverdachte 7/bedrijf] maakte aanvankelijk gebruik van twee
resellers, namelijk [handelsnaam] en [handelsnaam 2] (hierna: [handelsnaam 2] ). [handelsnaam] is de handelsnaam van [bedrijf 4] B.V. (hierna: [bedrijf 4] ), [bedrijf 10] B.V. en [bedrijf 5] B.V. (hierna: [bedrijf 5] ). [medeverdachte 2] was oprichter van deze [handelsnaam] -vennootschappen. [medeverdachte 2] was tot juli 2017 bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf 4] en [bedrijf 5] , en vanaf juli 2017 was [medeverdachte 5] enig aandeelhouder van deze vennootschappen. [medeverdachte 2] had diverse verkopers in dienst. [handelsnaam 2] is de handelsnaam van [bedrijf 6] B.V. (hierna: [bedrijf 6] ), van welk bedrijf [medeverdachte 9] via zijn holding vennootschap 100% aandeelhouder was. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] waren de verkopers die de FGS via [handelsnaam 2] verkochten. Na de overname van [medeverdachte 7/bedrijf] door [medeverdachte 2] werkte [medeverdachte 7/bedrijf] alleen nog met [handelsnaam] als
reseller.
Vanaf april 2017 trad ook [medeverdachte 8/bedrijf] op als agentschap voor de verkoop van FGS in Nederland, met onder meer [verdachte] en [medeverdachte 3] als oprichters en gezamenlijk bestuurders via ieder hun eigen holding. [medeverdachte 8/bedrijf] had alleen [handelsnaam 2] als
reseller.
Het geld van de kopers werd met name ontvangen op bankrekeningen van [medeverdachte 7/bedrijf] en van de enige tijd later opgerichte stichtingen, te weten Stichting [stichting 1] (hierna: [stichting 1] , opgericht in april 2016 door onder meer [medeverdachte 3] en per april 2017 overgenomen door [medeverdachte 2] ), Stichting [stichting 2] (hierna: [stichting 2] , opgericht in december 2016 door onder meer [medeverdachte 3] en per april 2017 overgedragen aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ) en Stichting [stichting 3] (hierna: [stichting 3] , opgericht in april 2017 door onder meer [medeverdachte 3] en [verdachte] , en per juli 2017 overgenomen door [verdachte] en [medeverdachte 1] ). Vanaf de bankrekeningen van de stichtingen werd het geld overgeboekt naar de agentschappen.
Het geld werden veelal gebruikt om commissies te betalen aan de agentschappen en de
resellersen om aan FGS-kopers te leveren goud aan te kopen bij het in Nederland gevestigde bedrijf [bedrijf 7] .
Tussen eind 2015 en juli 2018 werd via [handelsnaam] en [handelsnaam 2] in totaal voor ongeveer € 45.000.000,- aan FGS verkocht aan talloze kopers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan
1.
primair: het samen met anderen oplichten van negen met name genoemde personen die FGS kochten via [bedrijf 4] voor een bedrag van in totaal € 2.236.055,- en/of van negen met name genoemde personen die FGS kochten via [handelsnaam 2] voor een bedrag van in totaal € 1.072.112,-, in of omstreeks de periode van 1 september 2016 tot en met 2 april 2019 in Anna Paulowna, Maarssen, Naarden, Utrecht en/of Amsterdam of in ieder geval in Nederland en/of in een aantal andere landen;
subsidiair: het opzettelijk behulpzaam zijn bij en/of het opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het oplichten van achttien personen die FGS kochten via [handelsnaam 2] en/of [bedrijf 4] door [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , in of omstreeks 1 september 2016 tot en met 2 april 2019 in Anna Paulowna, Maarssen, Naarden, Huizen, Utrecht, Leusden en/of Amsterdam of in ieder geval in Nederland en/of in een aantal andere landen;
meer subsidiair: het samen met anderen verduisteren van in totaal € 3.308.167,- van achttien met name genoemde kopers FGS, in of omstreeks de periode van 1 september 2016 tot en met 2 april 2019 in Anna Paulowna, Maarssen, Naarden en/of Utrecht of in ieder geval in Nederland en/of in de Verenigde Staten;
2.
het deelnemen aan een organisatie, bestaande uit [medeverdachte 2] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [bedrijf 8] B.V., [bedrijf 4] , [bedrijf 6] , [medeverdachte 7/bedrijf] , [medeverdachte 8/bedrijf] , [stichting 1] , [stichting 2] , [stichting 3] , [onderneming 1] en [stichting 3] ., die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten oplichting en/of verduistering, in of omstreeks de periode van 1 september 2016 tot en met 2 april 2019 in Anna Paulowna, Maarssen, Naarden en/of Utrecht of in ieder geval in Nederland en in diverse andere landen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie vinden bewezen dat verdachte samen met haar medeverdachten de onder 1 primair ten laste gelegde oplichting in vereniging en de onder 2 ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie heeft gepleegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft algehele vrijspraak bepleit.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]

De voorfase

[medeverdachte 1] is de CEO van [onderneming 1] [2] . De missie van [onderneming 1] is volgens de eigen website het identificeren, verwerven en ontwikkelen van goudwinningsgebieden, waarbij specifiek wordt verwezen naar gebieden in Tanzania. [3] Omdat [onderneming 1] onvoldoende financiële middelen heeft, komen [medeverdachte 1] en [onderneming 1] op 29 januari 2013 overeen dat [medeverdachte 1] verantwoordelijk wordt voor het aantrekken van financiering voor de mogelijkheden die worden gezien voor goudwinning in Tanzania. [4]
In 2013 begint [onderneming 1] in het Verenigd Koninkrijk met de verkoop van een deel van haar toekomstige goudproductie door middel van FGS. [5] De verkoop daar liep onder meer via [bedrijf 9] Ltd (hierna: [bedrijf 9] ) [6] , [bedrijf 11] [7] en [bedrijf 12] [8] . [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) was aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 11] . [medeverdachte 2] heeft namens [bedrijf 12] FGS verkocht vanaf hetzelfde adres als [bedrijf 9] . [9] [medeverdachte 3] is administratieve werkzaamheden gaan verrichten voor [bedrijf 11] . [10]
In de loop van 2015 is de overstap gemaakt naar verkoop van FGS in Nederland en België. [medeverdachte 3] , [persoon 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 2] kenden elkaar al vanwege een zakelijke betrokkenheid bij de Engels onderneming [bedrijf 13] ., die later onderwerp is geworden van strafrechtelijk onderzoek naar boilerroomfraude. [11]
De Britse politie is in december 2015 een onderzoek gestart naar [bedrijf 9] , waarbij geconstateerd is dat sprake was van misleidende verkooppraktijken door [bedrijf 9] . [12] [bedrijf 9] is uiteindelijk in maart 2016 gedwongen geliquideerd door de Britse autoriteiten. [13]
[medeverdachte 1] wist dat [bedrijf 9] failliet is gegaan en dat er nog meer dan een miljoen pond aan FGS openstond, naar eigen zeggen mede door problemen op de mijnlocatie. [14] [medeverdachte 7/bedrijf] en [medeverdachte 3] raakten van het onderzoek van de Britse politie naar [bedrijf 9] op de hoogte via vragen die de politie begin 2016 aan [bedrijf 7] stelde. [15] Naar aanleiding van deze vragen heeft [persoon 1] [medeverdachte 1] op 30 juni 2016 verzocht om met urgentie uit te leveren aan een Engelse FGS-koper [persoon 2] om verdere politieondervraging en problemen te voorkomen. [16]
In een garagebox, die bij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] in gebruik was, zijn in 2019 fysieke en digitale documenten aangetroffen betreffende de verkoop van FGS door [onderneming 1] in het Verenigd Koninkrijk. Zo zijn er koopovereenkomsten aangetroffen. [17] Als verkoper staat hier voornamelijk vermeld [bedrijf 9] , maar ook weleens [handelsnaam 2] , [bedrijf 11] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [bedrijf 14] B.V (hierna: [bedrijf 14] ), waarvan [medeverdachte 6] mede-aandeelhouder is en [medeverdachte 2] werknemer. Ook zijn er brochures over deze verkoop aangetroffen. [18] Daarnaast is er een e-mail van [medeverdachte 2] aangetroffen, ter bevestiging van een telefonische aankoop van tien kilogram goud middels FGS bij [onderneming 1] , waarin de geadresseerde wordt bedankt voor het kopen van goud via [bedrijf 12] , wordt gerefereerd aan de goudprijs op 17 juli 2013 en [medeverdachte 2] zichzelf ‘Agent for [onderneming 1] ’ noemt. [19] Ten slotte is een ontvangstbewijs aangetroffen dat een FGS-koper op 31 oktober 2015 heeft getekend, waarop als
contract reference[bedrijf 9] staat en dat naar [medeverdachte 3] opgestuurd moest worden. [20]
[medeverdachte 1] heeft verklaard voor de verkoop in Nederland en België Nederlandse agentschappen te hebben ingeschakeld. [21]
Eerst was dat de Nederlandse onderneming [medeverdachte 7/bedrijf] [22] , die [medeverdachte 3] samen met onder andere [persoon 1] had opgericht. Tot juli 2017 waren zij direct, dan wel indirect aandeelhouder. Sinds juli 2017 is [medeverdachte 2] samen met zijn voormalige echtgenote [medeverdachte 5] 100% aandeelhouder. [23]
Bij de
resellersdie benaderd werden, waren [medeverdachte 2] ( [handelsnaam] , waaronder [bedrijf 4] [24] ) en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] (beiden van [handelsnaam 2] [25] ) betrokken. [verdachte] verrichtte vanaf september 2016 werkzaamheden voor [medeverdachte 7/bedrijf] . Zij deed dit eerst als zzp-er en vanaf december 2018 als werknemer. [26]
In april 2017 is [medeverdachte 8/bedrijf] opgericht door onder anderen [medeverdachte 3] en [verdachte] , en kwam deze vennootschap er als agentschap bij. [27] Onder meer [medeverdachte 3] en [verdachte] waren indirect bestuurders en aandeelhouders van [medeverdachte 8/bedrijf] . [28] [handelsnaam 2] ging vanaf dat moment de verkopen voor [medeverdachte 8/bedrijf] doen. Vanaf het moment dat [medeverdachte 2] [medeverdachte 7/bedrijf] heeft overgenomen was [handelsnaam] de enige
resellervoor [medeverdachte 7/bedrijf] .
Geen van de betrokken agentschappen en
resellersheeft op dat moment diepgravend
due diligence-onderzoek uitgevoerd naar [medeverdachte 1] en/of [onderneming 1] .

De voorstelling van zaken (via verschillende marketinginstrumenten)

[handelsnaam] is in 2015 gestart met het aanbieden van obligaties, waarbij zij in haar informatiememorandum meedeelt dat zij door middel van FGS goud inkocht bij [onderneming 1] om zo het risico, dat zij de rente en aflossing niet zou kunnen betalen, te dekken. In het informatiememorandum staat verder onder meer: “ [onderneming 1] beschikt over goudconcessies in het mijnbouw vriendelijke Zuid-Tanzania en heeft een aanzienlijke delvingscapaciteit.” Ook staat er in dat de productiecapaciteit van [onderneming 1] in Tanzania op dat moment werd uitgebreid. [29] [handelsnaam] heeft de verkoop van obligaties in juli 2017 gestaakt, nadat de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) in 2017 een onderzoek had ingesteld naar [handelsnaam] met betrekking tot een mogelijke overtreding van de prospectusplicht en oneerlijke handelspraktijken, en hiertoe op 28 juli 2017 een informatieverzoek heeft gestuurd aan [handelsnaam] . [30]
Naast de obligaties werden vanaf eind 2015 de eerste FGS van [onderneming 1] rechtstreeks aan kopers verkocht. [31] De
resellersboden de FGS aan via verschillende marketinginstrumenten.
Zo was er de website van [handelsnaam] , www. [handelsnaam] .nl, en gebruikte [handelsnaam 2] www. [handelsnaam 2] . Klanten kwamen veelal bij de
resellersbinnen via Google Adwords, [32] een programma van Google waarmee bedrijven advertenties plaatsen in zoekresultaten. Een potentiële koper vroeg vervolgens informatie op, die de
resellersdan verstrekten. [handelsnaam] deed ook aan klantenwerving door zelf potentiële kopers te bellen. [33]
[handelsnaam] en [handelsnaam 2] hebben brochures verstrekt aan potentiële kopers. In het dossier bevinden zich drie verschillende Nederlandstalige brochures die zien op [onderneming 1] en FGS. [34] Bij [medeverdachte 9] zijn dergelijke brochures aangetroffen [35] en in een map op het kantoor van [bedrijf 8] (rechtsopvolger van [bedrijf 4] ). [36] De brochures zijn vermoedelijk uit 2014 of 2015 en uit 2018 of 2019, gelet op de periode waarover de goudkoers in de brochure is weergegeven. De inhoud van de brochures komt grotendeels overeen. In deze brochures wordt informatie verstrekt over [onderneming 1] , de mijn in Tanzania en wordt uitgelegd hoe FGS in zijn werk gaat. In deze brochures staat dat [onderneming 1] een Amerikaans bedrijf is dat fondsen werft voor de upgrade van goudmijnen in het gebied “ [gebied 2] ” in Tanzania. In twee van de brochures staat ook dat er een 43.101-rapport is afgegeven waaruit blijkt dat de grond een rijkdom aan goud bevat. In twee van de brochures staat ook dat [onderneming 1] beursgenoteerd is. In een van de brochures staat dat [onderneming 1] verwacht in de toekomst jaarlijks 10.000 ounces goud te produceren. Ook staat daarin dat [onderneming 1] een mijnlicentie heeft verkregen op het [gebied 1] , die [onderneming 1] de mogelijkheid geeft om commercieel goud te delven en produceren. Verder staat in al de brochures FGS omschreven. [onderneming 1] zamelt de benodigde fondsen in via de verkoop van een klein deel (25%) van haar toekomstige goudproductie tegen 10% korting op de dagelijkse goudprijs zoals die bij de London Bullion Market Association (LBMA) genoteerd staat. In de ene brochure wordt als te verkopen hoeveelheid 2.200 troy ounce genoemd, in de andere 10.000 troy ounce en in de meest recente brochure staat dat de 10.000 troy ounce vanwege succes is uitgebreid. Het goud wordt dan na tien maanden in fysieke vorm aan de koper geleverd. Ook staat er in de brochures dat het ingezamelde geld volledig kan worden gebruikt voor de herstart, upgrades en productie-efficiency van de mijn, aangezien de overige benodigdheden zoals een goede infrastructuur en moderne apparatuur reeds ter plekke aanwezig zijn. Er worden verschillende getallen aan delvingscapaciteit genoemd, van 40 ton per uur en uitbreiding naar 60 en/of 200 ton per uur. Uit Skype-berichten blijkt dat [medeverdachte 4] de brochures maakte die [handelsnaam 2] verstuurde. [37]
Daarnaast werden potentiële kopers in gesprekken voorgelicht. Dit gebeurde telefonisch en ook in persoon, bijvoorbeeld door huisbezoeken of tijdens afspraken op het kantoor van de
reseller. Uit het dossier komt een beeld naar voren van wat er in die gesprekken werd verteld. [medeverdachte 2] maakte binnen [handelsnaam] gebruik van verkopers. Zij hadden contact met de potentiële kopers. Verkoper [persoon 3] heeft over de werkwijze van FGS het volgende verklaard:
“De belegger heeft de mogelijkheid om goud aan te kopen met een korting van 10%. Wat er dan gebeurt is dat hij rechtstreeks een bestelling neerlegt bij een goudmijn. We kunnen 10% korting verlenen omdat de goudmijn op deze manier vroegtijdig geld uit de markt kan trekken waarmee ze dus sterkere machines aan kunnen kopen, meer mankracht meer mijnen.” [38] Verkoper [persoon 4] heeft verklaard dat kopers via [handelsnaam] rechtstreeks goud konden aankopen bij een goudmijn en dat de inleggelden werden gebruikt voor een stukje exploitatie in de goudmijn. De mijn gebruikt deze gelden volgens hem waarvoor ze het nodig achten, zoals voor de aanschaf van machines, om personeel te betalen en expansie te creëren. Als er vragen waren dan liep hij in eerste instantie naar [medeverdachte 2] . [39]
Bij [handelsnaam 2] deden [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] zelf de verkoopgesprekken. [medeverdachte 9] heeft verklaard dat [handelsnaam 2] de potentiële kopers heeft geïnformeerd op basis van de informatie die hij en [medeverdachte 4] kregen van [onderneming 1] . Van het FGS-geld is een deel gebruikt voor commissies, maar de rest zou worden gebruikt om machines te kopen en te gaan mijnen. [40] In een opgenomen telefoongesprek van [medeverdachte 4] met een potentiële klant uit april 2016 zegt [medeverdachte 4] onder andere dat er een 43.101-rapport is waarin staat hoeveel goud er per ton in de grond zit, dat ze vijftig ton per uur uit de grond halen en bezig zijn met een upgrade naar 250 ton per uur en dat ze maximaal 25% vooruit verkopen aan particulieren, omdat zij het wel uit de grond moeten kunnen halen. Ook vertelt hij dat [onderneming 1] aan [medeverdachte 7/bedrijf] moet laten zien wat er voor het geld is gekocht. Ze gebruiken [bedrijf 7] in Nederland als leverancier. Ze zijn verplicht elke maand hun cijfers in te leveren. Mocht daar (de rechtbank begrijpt: bij de Amerikaanse beurs) alarm zijn, dan wordt dat gelijk gemeld aan de autoriteiten. Het wordt op deze manier gedaan, omdat ze bij banken geen financiering krijgen voor Afrika. [41]
De informatie van [handelsnaam] en [handelsnaam 2] over FGS en [onderneming 1] kwam ook terug in interviews op de website [website 2] .nl. [medeverdachte 2] vertelde in een interview met [website 2] van 6 juni 2017 [42] onder meer dat [handelsnaam] inkomsten heeft uit de FGS en dat de obligaties daardoor worden afgedekt, maar ook dat klanten zelf een FGS hebben afgesloten. Hij vertelt verder dat [bedrijf 7] de logistieke partner is van de mijn [onderneming 1] en dat [bedrijf 7] direct opdracht van de mijn krijgt om het goud uit te leveren. Ook vertelt [medeverdachte 2] dat ze [onderneming 1] / [onderneming 2] bijna volledig hebben gefinancierd.
Op deze website stond ook een interview met [medeverdachte 9] van 13 juni 2017. [43] Hij vertelt daarin onder meer dat de klant fysiek goud koopt direct van de goudmijnen en dat de goudmijnen het geld van de klant gebruiken om hun capaciteit uit te breiden. [bedrijf 7] is de exclusieve leverancier van het fysieke goud. [onderneming 1] gaat stoppen met de FGS omdat ze het geld niet meer nodig hebben. In het interview verwijst [medeverdachte 9] naar de website van [handelsnaam 2] , waar men een brochure kan aanvragen en reisverslagen van bezoeken, al dan niet met klanten, aan de mijn kan lezen.
Potentiële kopers konden verder informatie vinden op websites van [onderneming 1] [44] , [handelsnaam] [45] en [handelsnaam 2] [46] en een Facebook-pagina van [onderneming 1] [47] .
Op de website www. [onderneming 1] .com stond dat het [gebied 1] -project van [onderneming 1] bestaat uit een “gold property” (stuk grond) met een “mininglicence” (mijnbouwvergunning) voor tien jaar en aangrenzende stukken grond met vergelijkbare eigenschappen. Met de mijnbouwvergunning mag [onderneming 1] volgens de eigen website commercieel goud produceren, waarmee 40 tot uiteindelijk 200 ton per uur kan worden gedolven. [48]
Op www. [handelsnaam] .nl stond dat de goudmijn [onderneming 1] extra geld wil aantrekken om grote uitbreidingen en overnames te realiseren en dat de goudmijn tijdelijk een deel van het goud dat zij de komende maanden gaat delven verkoopt door middel van een FGS. [49] Na aankoop van het goud onder de marktwaarde tegen 10% korting, wordt een order geplaatst bij de mijn. De koper krijgt het goud na 10 maanden geleverd. [50] Op de website stond verder: “Koop fysiek goud met 10% korting. Rechtstreeks van de goudmijnen” en konden klanten informatie aanvragen. [51]
Bovenaan de website van [handelsnaam 2] staat dezelfde tekst: “Koop fysiek goud met 10% korting. Rechtstreeks van de goudmijnen.”. Ook vermeldt de website dat de koper per aangetekende post op naam een waardecertificaat met watermerk ontvangt van de mijn “waar uw goud wordt gedolven”. [bedrijf 7] wordt genoemd als leverancier van het fysieke goud in opdracht van de goudmijnen. Op de website van [handelsnaam 2] staan ook links naar reisverslagen van bezoeken aan goudmijnen, waarin een rooskleurig beeld wordt geschetst van de potentiële gouddelving in het gebied van de [mijn 2] -goudmijn, aangeduid als [onderneming 1] . [52]
In Skype-gesprekken tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] is te zien dat [medeverdachte 4] betrokken was bij de inhoud van de website. [53] Hier was ook contact over met [medeverdachte 3] . Op 12 mei 2016 vraagt [medeverdachte 9] via Skype goedkeuring aan [medeverdachte 3] voor het dan gemaakte reisverslag. [medeverdachte 3] wil echter zaken aangepast zien in het reisverslag, met name foto’s. [medeverdachte 3] schrijft: “ [bedrijf] mag er niet in!!!” en “dus ook de office foto moet anders”. [medeverdachte 9] laat weten dat hij [bedrijf] uit de foto heeft gesneden. [54]
Op de Facebook-pagina van [onderneming 1] [55] staat het logo van [handelsnaam 2] als profielfoto opgenomen. Op de Facebook-pagina staat ook een link naar een Engelstalig PDF-document over [onderneming 1] [56] . Daarin komt informatie terug die ook in de brochures staat, zoals dat [onderneming 1] een Amerikaans beursgenoteerd bedrijf is, [onderneming 1] actief is bij de ontwikkeling van het goudrijke [gebied 1] waarvoor een mijnbouwvergunning is afgegeven, er productiecapaciteit is en dat er FGS wordt aangeboden.
Bij de verkoop van FGS werden vaak extra financiële voordelen aangeboden. [57] Zo boden de
resellers, naast de 10% korting, extra kortingen aan in de vorm van terugbetalingen van een deel van het aankoopbedrag aan de kopers. Diverse kopers hebben hierover verklaard [58] en de uitbetalingen van de extra korting zijn terug te zien op de bankafschriften van de
resellers [59] . [handelsnaam] en [handelsnaam 2] hebben kortingsacties onderling afgestemd. [60] Verder werd zilver als cadeau aangeboden bij de aankoop van goud. [61] Het ging bij de extra korting en het zilver regelmatig om een tijdelijke actie, bijvoorbeeld tijdens de Olympische spelen, en ook andere extra kortingen werden als tijdelijke aanbieding gecommuniceerd. [62]
Ook werden sommige (potentiële) kopers door [handelsnaam 2] uitgenodigd om mee op reis te gaan naar de goudmijn. [63] Dit gebeurde op kosten van [handelsnaam 2] . [64] Van de reizen werden eerdergenoemde reisverslagen gemaakt en op de website van [handelsnaam 2] geplaatst. [65] Ook op de website van [handelsnaam] stond een verslag over een bezoek aan goudmijnen. Ook hier corrigeerde [medeverdachte 3] de schrijver van het verslag, in dit geval [medeverdachte 2] , door bijvoorbeeld te beperken wat er genoemd mag worden. [66] Zo mocht [naam 2] / [naam 3] niet worden genoemd.
Tijdens het onderzoek zijn ook koopovereenkomsten tussen [onderneming 1] en FGS-kopers aangetroffen. Bij interesse in FGS kregen potentiële kopers de koopovereenkomst per post opgestuurd of persoonlijk overhandigd. In de overeenkomst stond dat deze werd gesloten met [onderneming 1] , gevestigd in Los Angeles en vertegenwoordigd door [medeverdachte 1] als CEO. [67] Kopers ontvingen na betaling een goudcertificaat met daarop een zegel van [onderneming 1] en de handtekening van [medeverdachte 1] als CEO. [68] Zij ontvingen dat eerst digitaal via de e-mail en later het origineel per aangetekende post uit Amerika. [69]

De kopers

De in de tenlastelegging genoemde kopers hebben verklaard over wat zij aan informatie hebben ontvangen voorafgaand aan de aankoop van FGS, hoe zij die informatie hebben ontvangen en wat voor hen de redenen waren om FGS te kopen.
Over de manieren van informatieverstrekking hebben kopers het volgende verklaard. Velen hebben verteld over telefoongesprekken die ze met de verkopers hebben gevoerd. [70] Er zijn kopers die hebben verteld dat zij een brochure hebben ontvangen [71] en/of naar een van de websites hebben gekeken [72] . Ook werd informatie via de e-mail verstrekt. [73] Anderen hebben een persoonlijk gesprek gehad, bij hen thuis [74] en/of op het kantoor van de
reseller [75] .
Over de besteding van de aankoopsom van het goud heeft koper [persoon 5] verklaard: “Ik dacht dat het geld naar de mijn in Tanzania zou gaan om goud te delven. Dat hebben ze mij verteld, dit is het hele principe van de Forward Gold Sale.” [76] En koper [persoon 6] heeft verklaard: “Dit geld zouden ze investeren in de goudmijn in Tanzania, dit las ik in hun brochure en verslagjes van de mijn.” [77] Koper [persoon 7] heeft verklaard: “Ze hebben mij verteld dat het geld op een derdenrekening zou komen. De bank zou ook geld geven aan [onderneming 1] , zodat [onderneming 1] kon starten met goud delven en ik het goud krijg over tien maanden. Het geld was dus voor financiering van de mijn.” [78] Koper [persoon 8] heeft verklaard: “Dat was de afspraak, het financieren van de mijn en dat het geld dus ook daadwerkelijk werd gebruikt in de productie.” [79] Koper [persoon 9] heeft verklaard: “Ik heb informatie gekregen met wat de aankoop ging inhouden. Hierin stond dat ik geld ging inleggen voor de investering die zij moesten doen in de mijn voor het goud delven.” [80] Verschillende andere kopers hebben hierover een verklaring van gelijke strekking afgelegd. [81]
Op de vraag waar het uit te leveren goud vandaan zou komen, hebben diverse kopers verklaard dat dit uit de mijn afkomstig was of in ieder geval gekocht was van de opbrengst daarvan. Er zou daarvoor dus goud gedolven gaan worden in de mijn. [persoon 7] heeft verklaard dat “ze (de rechtbank begrijpt: [handelsnaam 2] ) zeiden dat er geen tussenpersonen tussen zitten en dat het goud rechtstreeks uit de mijn afkomstig was.” [82] [persoon 10] heeft verklaard: “Het goud kwam van de goudmijn [onderneming 1] , alles kwam van [onderneming 1] .” [83] Ook koper [persoon 11] heeft verklaard: “Ik dacht dat het goud fysiek uit Tanzania kwam.” [84] Koper [persoon 12] heeft verklaard: “Ik was ook in de veronderstelling dat het goud echt uit de mijn uit Tanzania kwam.” [85] [persoon 9] heeft verklaard dat het fysieke goud niet rechtstreeks uit de mijn kwam, maar gefinancierd werd uit de opbrengst uit de mijn: “ [bedrijf 7] regelde de uitlevering van goud hier in Nederland. Het goud van [bedrijf 7] werd aangeschaft met geld dat werd verkregen uit gedolven goud in Tanzania.” [86] Een aantal andere kopers heeft dit ook verklaard [87] , waaronder koper [persoon 9] : “En uiteindelijk levert het gedolven goud meer geld op dan de investering die [onderneming 1] heeft gedaan. Daarom wordt maar 30 procent van de hoeveelheid goud dat gedolven wordt via FGS verkocht.” [88]
Uit de verklaringen van kopers komt ook naar voren dat zij door de gang van zaken vertrouwen kregen in FGS en de betrokken ondernemingen, door onder meer de verstrekte informatie, de geleverde officieel ogende certificaten en documenten, de uitbetalingen van de extra korting en de daadwerkelijke levering van goud. Zo verklaarde koper [persoon 13] : “De hele opzet van [handelsnaam 2] en [onderneming 1] was logisch, hiermee bedoel ik het overmaken van het geld naar een Nederlandse Escrow-rekening, het ontvangen van de goudcertificaten en het uitleveren van het goud door een Nederlands bedrijf.” [89] [persoon 7] heeft verklaard dat hem is verteld dat hij niet bang hoefde te zijn omdat het geld op een derdenrekening zou staan. [90] [persoon 8] heeft verklaard: “Ik heb die inleg gedaan en je krijgt dan een mooi formulier dat de transactie recht heeft op de hoeveelheid goud die je aangeschaft hebt. [...] Je krijgt een tegoed, een certificaat van inleg met een handtekening van [medeverdachte 1] .” [91] [persoon 14] heeft verklaard: “Ik krijg allemaal post uit Amerika hiervan en dat gaat het om officiële papieren. Dit doen ze toch niet zomaar?” [92] Ook [persoon 12] heeft verklaard dat hij
hard copiesvan de FGS via de post uit Amerika had ontvangen. [93] [persoon 9] heeft verklaard dat hij het geld heeft overgemaakt en: “Ik kocht één kilo, het certificaat heb ik later gehad van [onderneming 1] . Dit kwam rechtstreeks aangetekend van [onderneming 1] uit Amerika en dat heeft 18 dollar gekost om te versturen aan mij. Dit gaf mij een gevoel van vertrouwen.” [94] [persoon 15] heeft verklaard: “Ze hebben geprobeerd mijn vertrouwen te wekken door bij mij thuis te komen en mij aanbiedingen te doen zodat ik zou investeren. [..] Na een betaling kreeg ik de volgende dag inderdaad geld overgemaakt conform de afspraak. Deze betalingen vonden plaats door tussenkomst van een notaris. Ik ontving officiële documenten van de goudmijn waarmee [handelsnaam] zaken deed. Dat deed mij geloven in een goede afloop.” [95] [persoon 6] heeft verklaard: “Het geld is naar een soort tussenrekening gegaan van de mijn en dan zou het naar de mijn in Tanzania gaan om goud te delven.” [96] [persoon 16] heeft verklaard dat de cashbacks ook weer extra vertrouwen gaven. [97]
Ook kregen kopers vertrouwen door reizen naar de mijn en/of verslagen daarover. [persoon 17] is in april 2018 zelf mee op reis geweest naar de mijn [98] en een aantal kopers heeft verklaard over reisverslagen die ze gelezen hebben. [99] Zo heeft [persoon 14] verklaard dat de reisverslagen vertrouwen gaven. “Als ze daar geweest zijn dan denk je dat dat allemaal klopt. Je ziet dat er machines en generatoren staan. Dan weet je dat er gewerkt wordt.” [100]
Daarnaast gaf de daadwerkelijke uitlevering van goud vertrouwen, onder meer aan koper [persoon 8] : “Ik ben met weinig begonnen en toen kwam na tien maanden het goud terug en neemt je vertrouwen toe en doe je de tweede inleg met wat meer, ook die kwam na tien maanden terug en dan heb je nog meer vertrouwen en leg je nog meer in.” [101] Zo ook koper [persoon 12] : “Ik wist niet goed wat ik moest doen en [handelsnaam] heeft mij toen geadviseerd om opnieuw te investeren. Ik had nu gezien dat alles klopte en dat ik echt mijn goud kreeg.” [102] Andere kopers hebben gelijkluidend verklaard. [103] Ook had een aantal kopers eerder obligaties van [onderneming 1] via [handelsnaam] gekocht die afgewikkeld waren, wat vertrouwen had gegeven. [104]

De feitelijke gang van zaken

De mijn
In de informatievoorziening over de FGS van [onderneming 1] wordt telkens gesproken over ‘de mijn in Tanzania’, maar duidelijkheid over welke mijn het betreft, is uitgebleven. Meermaals wordt gerefereerd aan een mijn aangeduid als ‘ [mijn 1] ’ in Zuid-Tanzania. In het lijstje met mijngebieden dat [medeverdachte 1] in zijn tweede FIOD-verweer heeft opgesteld, is ‘ [mijn 1] ’ de enige mijn die in Zuid-Tanzania is gelegen. [105] Uit het dossier volgt dat [mijn 2] een mijn in Zuid-Tanzania is. Deze mijn wordt in de reisverslagen op de websites van de
resellersgenoemd als de mijn waar de bezoeken van onder andere kopers hebben plaatsgevonden. [106] [medeverdachte 1] heeft als CEO van [bedrijf 18] uit Hong Kong (hierna: [bedrijf 15] ) in een
affidavit(verklaring bij een Amerikaanse notaris in het kader van een Canadese arbitrageprocedure) verklaard over de overname van een mijnbouwvergunning in Tanzania, die bekend stond als het “ [mijn 2] -project”. [107] Ook in de ontbindingsovereenkomst tussen [concern] , [onderneming 1] en [medeverdachte 8/bedrijf] spreekt men over de
[mijn 2] -mijn. [108] De rechtbank gaat er daarom van uit dat [mijn 2] bedoeld wordt als er in het dossier wordt gesproken over ‘de mijn in Tanzania’.
De mijnbouwvergunning
In het dossier zitten geen stukken waaruit blijkt van wie de mijnbouwvergunning voor de [mijn 2] -mijn was ten tijde van de verkoop van de FGS in Nederland en België.
[medeverdachte 1] heeft in zijn
affidavitgesteld dat de mijnbouwvergunning in 2015 eigendom was van [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ), wat een Tanzaniaanse dochteronderneming was van [bedrijf 16] . (hierna: [bedrijf 16] ). Dit staat ook in een door [onderneming 1] , [bedrijf] en [bedrijf 16] ondertekende aanvullende overeenkomst. [109] [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [bedrijf 17] (hierna: [bedrijf 17] ) een tweede mijnbouwvergunning had. [110] [medeverdachte 1] heeft in zijn
affidavitverklaard dat hij in april 2015 via het Amerikaanse [bedrijf 15] (hierna: [bedrijf 15] ) een overeenkomst heeft gesloten met [bedrijf 16] om de activa van [bedrijf] en [bedrijf 17] over te nemen voor USD 2.000.000. De activa bestonden onder meer uit de mijnbouwvergunningen. Op dat moment waren er illegale mijnwerkers actief op het terrein. [111] [medeverdachte 1] verklaart vervolgens het Ierse [bedrijf 18] ( [bedrijf 18] ) te hebben toegevoegd aan het [mijn 2] -project en dat in maart 2016 [bedrijf 18] een overeenkomst is aangegaan met [bedrijf 16] en [bedrijf 19] Inc. om de aandelen van [bedrijf] en [bedrijf 17] over te nemen. De koopsom bleef volgens [medeverdachte 1] USD 2.000.000. Daarvan werd een voorschot van USD 100.000,- betaald in december 2015 en voor het overige werden termijnen overeengekomen. [112] [bedrijf 18] heeft vervolgens uit wettelijke noodzaak een dochteronderneming in Tanzania opgericht, genaamd [bedrijf 18] (hierna: [bedrijf 18] ). [naam 4] werd daarvan de algemeen directeur. Er moest een aanvraag bij de Tanzaniaanse overheid worden ingediend om [medeverdachte 1] en [naam 4] als directeuren van [bedrijf 17] en [bedrijf] aan te stellen, hetgeen nodig was om de vennootschappen richting de overheid in Tanzania te kunnen vertegenwoordigen. Ten tijde van het afleggen van de
affidavitvan [medeverdachte 1] in juni 2018 was die aanvraag nog niet ingediend. [113]
Over de eigendom van de mijnbouwvergunningen is discussie ontstaan tussen het [concern] -concern (hierna: [concern] ) en [bedrijf 16] . [bedrijf 16] is in maart 2018 een arbitrageprocedure gestart. [114] Deze was gericht tegen [bedrijf 15] , dat de rechten van [bedrijf 18] had overgenomen [115] . Onderdeel van het geschil was of er was voldaan aan de voorwaarden waaronder (de activa van) [bedrijf] en [bedrijf 17] zouden overgaan naar [concern] , waaronder de betaling van de koopsom door [concern] . [concern] , op zijn beurt, stelde zich op het standpunt dat [bedrijf] en [bedrijf 17] niet aan de voorwaarden hebben voldaan, zoals het verstrekken van de zakelijke vergunningen en het officieel laten aanstellen van [medeverdachte 1] en [naam 4] als directie.
Met betrekking tot het geschil tussen [concern] en [bedrijf 16] schrijft [medeverdachte 3] in een e-mail van 3 oktober 2017 aan [medeverdachte 2] over de inhoud van een concept-reisverslag op www. [handelsnaam] .nl onder meer dat [bedrijf 16] nooit mag worden genoemd totdat de shares zijn overgedragen, omdat [medeverdachte 1] anders zo aan de beademing gaat. [116]
Naast de onduidelijkheid over wie de eigenaar van de mijnbouwvergunning was ten tijde van de verkoop van de FGS, bestaat onduidelijkheid over de vennootschapsrechtelijke verhouding tussen [bedrijf 18] en/of [bedrijf 15] enerzijds en [onderneming 1] anderzijds. [onderneming 1] is de contractspartij bij de FGS-overeenkomsten van de Nederlandse en Belgische kopers, maar uit het dossier blijkt niet dat [onderneming 1] , al dan niet via [concern] , enige aanspraak kan maken op de mijnbouwvergunning van en het goud in de [mijn 2] -mijn. [medeverdachte 1] heeft weliswaar bij de rechter-commissaris verklaard dat hij [onderneming 1] en [bedrijf 18] altijd als één en dezelfde zag [117] , maar er zijn geen documenten waaruit blijkt dat er een juridische relatie is tussen [onderneming 1] en [concern] , anders dan dat [medeverdachte 1] van beide ondernemingen de CEO is en dat er verschillende leenovereenkomsten zijn tussen de ondernemingen onderling. Ook zijn de uiteindelijk belanghebbenden achter de ondernemingen onbekend gebleven. Een potentiële klant die hier meer informatie over vroeg, kreeg deze niet. [118]
Uit informatie van de website www.finanzen.nl blijkt dat [onderneming 1] in juni 2019 een beurswaarde vertegenwoordigde van ongeveer USD 42.500,- en dat een aandeel USD 0,001 waard was. [119] Ook diende [onderneming 1] in 2012 voor het laatst financiële verantwoordingsdocumenten in bij de Amerikaanse toezichthouder op de effectenbeurzen Security and Exchange Commission (SEC) en heeft zij in 2015 de registratie van haar effecten/aandelen beëindigd. [120] De financiële situatie van [onderneming 1] kon dus niet bij een onafhankelijke instantie worden nagegaan.
De potentie en productie van de mijn
Uit de
affidavitvan [medeverdachte 1] volgt dat [onderneming 1] in de periode van de verkoop van FGS nooit uit de testfase voor de productie van goud is gekomen. [121] In zijn
affidavitverklaart [medeverdachte 1] dat de mijn met haar testactiviteiten maar een kleine hoeveelheid goud heeft geproduceerd. [122] Bij de FIOD heeft [medeverdachte 1] verklaard dat de goudproductie tussen januari 2017 en november 2019 minder dan 1.000 troy ounces (ongeveer 31,1 kilogram [123] ) betrof en in de periode van februari 2015 tot januari 2017 ook ongeveer 1.000 troy ounces. [124] Het dossier bevat geen boekhouding of productiecijfers van de mijn of andere documenten waaruit de daadwerkelijke hoeveelheid gedolven goud blijkt, ondanks meerdere verzoeken van de FIOD om dergelijke informatie en toezeggingen van [medeverdachte 1] deze te zullen aanleveren. [125]
Er is in 2011 een zogenoemd 43.101-rapport uitgebracht voor [bedrijf] over het terrein “ [project 2] Project”. In 2013 is een update op genoemd rapport uitgebracht in opdracht van [bedrijf 16] . [126] [medeverdachte 1] heeft in zijn
affidavitverklaard dat het [mijn 2] -project niet opereerde onder dit rapport, vanwege de aanzienlijke schade die door de illegale mijnwerkers was veroorzaakt. [127] Na het vertrek van de illegale mijnwerkers in november 2016 beoordeelde een lokale ingenieursgroep in februari 2017 het [mijn 2] -project en stelde deze vast dat door de illegale mijnbouw de rendabiliteit behoorlijk was gewijzigd. Er werd ernstig aan getwijfeld of het [mijn 2] -project nog rendabel gedolven kon worden door middel van dagbouw (
open pit method) en dat er waarschijnlijk ondergrondse mijnbouw bedreven moest worden, terwijl in het oude mijnbouwplan van [bedrijf 16] stond dat in de eerste fase zou worden gedolven door dagbouw en pas later ondergronds. In het rapport staat ook dat om de wijze van delving van het ertslichaam te bepalen een ondergronds exploratieprogramma nodig is. [128] Het is niet gebleken dat hierna een nieuw mijnbouwplan is opgesteld of een nieuw of geüpdatet 43.101-rapport is uitgebracht.
Volgens [medeverdachte 1] zijn bij de bezoeken aan de mijn de problemen en oplossingen aan de agentschappen voorgelegd. [129]
De FGS-verkoop
De agentschappen registreerden de verkopen in een Excel-bestand en onderhielden daarover contact met [medeverdachte 1] . [verdachte] heeft verklaard dat zij dit voor [medeverdachte 7/bedrijf] deed en later ook voor [medeverdachte 8/bedrijf] . [130]
De FGS-verkopen werden gedekt door
sales allowances. [131] Sales allowancesomvatten de hoeveelheid goud die het agentschap in een bepaalde periode als FGS mocht verkopen. De
sales allowanceswaren opgenomen in aparte bijlagen bij de agentuurovereenkomsten van [medeverdachte 7/bedrijf] en [medeverdachte 8/bedrijf] . [132] Ook werden daar de commissies in afgesproken. [medeverdachte 1] gaf, al dan niet achteraf, toestemming voor de te verkopen hoeveelheden FGS. Hij heeft verklaard dat de toegestane hoeveelheid werd gebaseerd op de productieverwachting [133] en dat ze, elke keer als ze een FGS-contract sloten, geloofden dat ze de levering binnen de termijn zouden kunnen voldoen. [134] [verdachte] heeft verklaard dat de agentschappen contact zochten met ‘de mijn’ (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ) als gesignaleerd werd dat de toegestane hoeveelheid zou worden overschreden. [135] De hoeveelheden die [medeverdachte 8/bedrijf] over een deel van 2017 en 2018 mocht verkopen zijn achteraf nog via een bijlage aangepast. Laatstgenoemde bijlage zag op bijna 11.000 troy ounce. [136] De aangetroffen
sales allowancesvan [medeverdachte 7/bedrijf] betroffen in totaal 4.700 troy ounce. [137]
De geldstromen
Het geld uit de FGS-verkopen werd door de kopers vooral betaald op bankrekeningen van [medeverdachte 7/bedrijf] en later ook op rekeningen van aan de agentschappen gelieerde stichtingen [stichting 1] , [stichting 2] en [stichting 3] .
Van december 2016 tot april 2017 was onder meer [medeverdachte 3] bestuurder van [stichting 1] . Daarna werd [medeverdachte 2] enig bestuurder. [138] Ook van [stichting 2] was [medeverdachte 3] tot april 2017 een van de bestuurders. Daarna werd [medeverdachte 2] dit, eerst alleen en vanaf oktober 2017 samen met [medeverdachte 1] . [139] Van [stichting 3] waren onder meer [medeverdachte 3] en [verdachte] vanaf april 2016 bestuurders. Van juli 2017 tot en met oktober 2018 vormden [verdachte] en [medeverdachte 1] het bestuur. [140]
De bankrekeningen van [medeverdachte 7/bedrijf] betreffen onder andere [rekeningnummer 1] (hierna: [medeverdachte 7/bedrijf] . [rekeningnummer 1] ) en [rekeningnummer 2] (hierna: [medeverdachte 7/bedrijf] . [rekeningnummer 2] ). [stichting 1] had rekeningen [rekeningnummer 3] (hierna: [stichting 1] . [rekeningnummer 3] ) en [rekeningnummer 4] (hierna: [stichting 1] . [rekeningnummer 4] ). [stichting 2] had rekening [rekeningnummer 5] ( [stichting 2] . [rekeningnummer 5] ) en [stichting 3] had [rekeningnummer 6] ( [stichting 3] . [rekeningnummer 6] ). [141]
Op [medeverdachte 7/bedrijf] . [rekeningnummer 1] werd ongeveer € 1,27 miljoen rechtstreeks van FGS-kopers ontvangen [142] , op [stichting 1] . [rekeningnummer 3] ongeveer € 18,16 miljoen [143] en op [stichting 1] . [rekeningnummer 4] ongeveer € 1,19 miljoen [144] . Op [stichting 2] . [rekeningnummer 5] was dit bijna € 12 miljoen [145] en op [stichting 3] . [rekeningnummer 6] ging het om ongeveer € 12,58 miljoen [146] . In totaal is op genoemde bankrekeningen een bedrag van afgerond ongeveer € 45 miljoen ontvangen van FGS-kopers, waaronder de kopers genoemd in de dagvaarding. [147]
Er zijn geen geldstromen gezien naar voornoemde bankrekeningen vanaf buitenlandse bankrekeningen, bijvoorbeeld van [onderneming 1] of [concern] . Op de bankrekeningen van [medeverdachte 7/bedrijf] en de stichtingen werden per saldo geen andere inkomsten ontvangen dan de gelden van de FGS-kopers. [148]
Het geld dat van de FGS-kopers is ontvangen, werd bijna volledig gebruikt om bij [bedrijf 7] goud aan te kopen dat aan eerdere FGS-kopers moest worden uitgeleverd en voor de betaling van commissies aan de agentschappen en
resellers, zo blijkt uit onderstaande documenten.
In een door [bedrijf 7] bijgehouden Excel-bestand betreffende de FGS staan onder verschillende data over de periode van 2015 tot en met 2018 ordernummers, bijbehorende factuurnummers en bedragen vermeld, met daarnaast betalingen. [149] Volgens [persoon 18] , directeur van de [group] , waaronder [bedrijf 7] valt, betreft dit Excel-bestand het ‘FGS bijhoud bestand’ van [bedrijf 7] met daarin een overzicht van de betalingen, afkomstig van [medeverdachte 7/bedrijf] en de stichtingen. [150] [bedrijf 7] hield steeds bij of [onderneming 1] voldoende had betaald aan [bedrijf 7] om goud aan kopers te kunnen leveren. In combinatie met overboekingen naar en van de aan de agentschappen gelieerde bankrekeningen is te zien dat de gelden, die de agentschappen in een periode van levering van goud ontvangen en vervolgens aan [bedrijf 7] betalen, afkomstig zijn van andere kopers dan de kopers die volgens het Excel-bestand op dat moment goud geleverd krijgen. De personen die in de betreffende periode goud geleverd krijgen, hebben het goud ongeveer tien maanden eerder gekocht en betaald. [151] De bankrekeningen werden dus steeds door stortingen van nieuwe kopers gevoed en hier werd goud van gekocht, niet van opbrengsten uit gedolven goud.
Voor het na tien maanden uit te leveren goud, moest [onderneming 1] aan [bedrijf 7] 100% van de dan geldende koerswaarde van het goud betalen en daarbovenop 1% aan provisie. [152]
De commissies voor [medeverdachte 8/bedrijf] en [medeverdachte 7/bedrijf] varieerden tussen de 28% en 50%. [153]
Aangezien op de bankrekeningen van de agentschappen en stichtingen per saldo alleen gelden van de FGS-kopers werden ontvangen en geen rendement, moesten de kosten, waaronder de 1% provisie bij [bedrijf 7] en de 28-50% verkoopcommissie, uit die FGS-gelden worden voldaan. Bovendien werd er door de FGS-kopers steeds goud gekocht tegen 90% van de dan geldende marktwaarde, terwijl er tien maanden later aan hen goud moest worden uitgeleverd ter waarde van 100% van de dan geldende marktwaarde, inclusief eventuele tussentijdse waardestijgingen. Om aan de uitleveringsverplichtingen te kunnen blijven voldoen door middel van de gelden die van kopers werden ontvangen, moest daarom voor steeds hogere bedragen aan FGS worden verkocht, ongeveer twee keer zoveel. [154]
[medeverdachte 1] verklaart hierover dat hij een bedrag van € 10 tot 15 miljoen heeft ontvangen uit de FGS-verkoop. [155] Uit de analyse van de bankrekeningen van [medeverdachte 7/bedrijf] en de stichtingen, waarop de FGS-gelden zijn ontvangen, blijkt dat slechts een klein deel daarvan daadwerkelijk vanaf de aan de agentschappen gelieerde rekeningen werd overgemaakt naar het buitenland, namelijk in totaal een bedrag van ruim € 3,9 miljoen. Dat is nog geen 9% van het totaal ontvangen bedrag van ongeveer € 45 miljoen. [156] Het grootste deel hiervan, ruim € 3,3 miljoen, is overgemaakt vóór 1 april 2017. Tussen 1 april 2017 en juli 2018 werd € 673.662,- naar het buitenland overgemaakt, terwijl in die periode bijna € 33 miljoen van de totale € 45 miljoen aan FGS-gelden werd ontvangen. [157] Van de ongeveer € 3,9 miljoen die in totaal naar het buitenland werd overgemaakt, is bovendien niet vast te stellen dat het naar de mijn is gegaan, dat wil zeggen aan de productie van goud daarin ten goede is gekomen. Voor zover dit al aangenomen zou worden, kan niet worden vastgesteld naar welke mijn dit is gegaan. [medeverdachte 1] heeft in zijn
affidavitverklaard dat [bedrijf 18] aan het [mijn 2] -project, naast het gedeeltelijk voldoen van de koopsom aan [bedrijf 16] , in totaal ruim USD 1,5 miljoen heeft besteed [158] , zodat ook hiermee niet het hele overgemaakte bedrag kan worden verklaard, laat staan de bedragen waarover [medeverdachte 1] bij de FIOD verklaart.
De financiering van het uitgeleverde goud
[medeverdachte 1] heeft bevestigd dat het aan FGS-kopers uitgeleverde goud is gefinancierd door middel van opvolgende FGS-overeenkomsten. Hij heeft verklaard dat het in de mijnbouw gebruikelijk is om oude schulden te herfinancieren met nieuw geld. [159] Ook [medeverdachte 3] heeft verklaard dat de gelden van FGS-kopers werden doorbetaald aan [bedrijf 7] voor de levering van goud aan eerdere FGS-kopers. [160] [medeverdachte 4] heeft verklaard dat het geld van de kopers werd gebruikt vanwege de kosten. [161] Ook [medeverdachte 3] en [verdachte] hebben verklaard dat zij wisten dat het uit te leveren goud werd betaald vanaf een rekening waarop geen geld uit Tanzania was binnengekomen. [162] In een Skype-chat tussen [medeverdachte 9] en [medeverdachte 3] stuurt [medeverdachte 3] : “omzet helpt leveringen aub gas erop”. [163] Ook heeft [medeverdachte 4] of [medeverdachte 9] vanuit het Skype-account van [handelsnaam 2] contact met [medeverdachte 3] over welke koper er aan de beurt is voor uitlevering van goud zodra een storting van een nieuwe FGS-koper is afgetekend. [164]
De betalingen aan [bedrijf 7] voor de uitlevering van het goud werden gedaan door [verdachte] . Zij heeft verklaard bij [medeverdachte 7/bedrijf] eerst eenvoudige administratieve handelingen te hebben verricht en na een aantal maanden ook betalingen te zijn gaan doen voor [medeverdachte 7/bedrijf] . De gelden kwamen toen vooral binnen op de rekeningen van [stichting 1] en [medeverdachte 3] gaf haar opdracht gelden naar rekeningen over te maken. Vanaf april 2017 ging zij dit ook doen voor [medeverdachte 8/bedrijf] en [stichting 3] , waarvan zij medebestuurder was. [165] Zo verrichtte zij in opdracht van [medeverdachte 1] betalingen vanaf [stichting 3] . [rekeningnummer 6] aan [bedrijf 7] . [166] [medeverdachte 3] hielp met betalingen voor deze stichting als zij afwezig was. [167]
De uitlevering van het goud
De uitlevering van het goud verliep via [bedrijf 7] . [medeverdachte 2] had contact gelegd met [bedrijf 7] en [medeverdachte 3] voerde namens [onderneming 1] en [medeverdachte 1] de eerste besprekingen. [168]
Na ommekomst van de termijn van tien maanden gaven de agentschappen opdracht aan [bedrijf 7] om het goud aan kopers uit te leveren. [169] [medeverdachte 3] en [verdachte] hadden contact met [bedrijf 7] over de uitlevering van goud. [170] Zij deden dit namens en in opdracht van [onderneming 1] / [concern] . [171] [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] namen regelmatig contact op met [bedrijf 7] om te vragen of uitlevering had plaatsgevonden, net als verkopers van [handelsnaam] . [172]
De uitleveringen werden gedekt door zogenoemde
delivery allowances, waarin [medeverdachte 1] , al dan niet achteraf, de uitlevering goedkeurde. Dit ging vooral via verzoeken in e-mails waar [medeverdachte 1] dan op reageerde. [medeverdachte 1] stuurde de bevestigingen naar [medeverdachte 7/bedrijf] en [medeverdachte 8/bedrijf] . Dat ging eerst naar het e-mailadres van [medeverdachte 3] en later vooral naar het adres van [verdachte] , soms met [medeverdachte 2] in de cc. [medeverdachte 1] tekende in totaal voor ongeveer 99,5 kilo in 2016 en ongeveer 690 kilo in 2017 en 2018. [173]

De eindfase

[medeverdachte 3] heeft in 2016 een bevriende advocaat, mr. [naam advocaat] (hierna: [naam advocaat] ), gevraagd om mee te kijken bij de beoogde agentuurovereenkomst en om te kijken wat voor indruk hij kreeg van de activiteiten en betrokken personen. [naam advocaat] is eind 2016 mee geweest naar een mijn in Canada en hij is begin 2017 voor het eerst naar de mijn in Tanzania geweest. Hij heeft diverse stukken opgevraagd bij [medeverdachte 1] , maar die ontving hij maar mondjesmaat. In de loop van 2017 heeft hij steeds meer aangedrongen op het sturen van de gevraagde stukken. In februari 2018 ontstond hierover onmin en tijdens een tussenstop op de terugvlucht van een bezoek aan de mijn heeft [naam advocaat] een woordenwisseling met [medeverdachte 1] gehad, omdat deze vertelde dat er onenigheid was met [bedrijf 16] en er mogelijk een procedure zou komen. Op verzoek van [naam advocaat] heeft [medeverdachte 1] toen een schematische weergave gemaakt van de vennootschappen en hun positie. Dit riep bij [naam advocaat] meer vragen op. In het voorjaar van 2018 bleek er een arbitrageprocedure te lopen. [174]
Op 20 juni 2018 hebben [bedrijf 15] , [onderneming 1] en [medeverdachte 1] een vaststellingovereenkomst met [medeverdachte 7/bedrijf] en [medeverdachte 8/bedrijf] getekend, waarin onder meer stond dat [onderneming 1] , [bedrijf 15] en [medeverdachte 1] binnen 48 uur afschriften van alle noodzakelijke gegevens en documenten moesten verstrekken. [175] Op 6 juli 2018 hebben [medeverdachte 7/bedrijf] en [medeverdachte 8/bedrijf] [medeverdachte 1] in gebreke gesteld, omdat zij meenden dat [onderneming 1] , [bedrijf 15] en [medeverdachte 1] de voorwaarden van de agentuurovereenkomst hadden geschonden. In de ingebrekestelling geven zij [medeverdachte 1] een termijn van 14 dagen om aan te tonen dat [onderneming 1] , [bedrijf 15] en [medeverdachte 1] in staat zijn om binnen maximaal tien maanden na het sluiten van de koop FGS te leveren. [176] Op 14 augustus 2018 laat [medeverdachte 8/bedrijf] [medeverdachte 1] per e-mail weten dat [medeverdachte 1] hier niet aan heeft voldaan en dat de agentuurovereenkomst per 21 juli 2018 is ontbonden. [177]
Na juni 2018 is de uitlevering van goud, op een enkele uitzondering na, gestaakt. [178] [handelsnaam] en [handelsnaam 2] hebben in juli 2018 de verkoop van FGS gestaakt. [179]
Op de website van [handelsnaam] stond vermeld dat de FGS van [onderneming 1] was voltooid en niet langer door [handelsnaam] werd aangeboden. [180] In de periode van augustus 2018 tot en met augustus 2019 werden namens [onderneming 1]
delay lettersen
updatesgestuurd. Sommige FGS-kopers zijn in augustus en september 2018 via brieven van [onderneming 1] op de hoogte gesteld dat [onderneming 1] de levering van goud heeft opgeschort vanwege een juridische procedure inzake de exploitatie van haar ‘ [mine] ’ in Tanzania. [181] In november 2018 stuurt [onderneming 1] brieven dat er toestemming is verkregen om diezelfde maand de mijn weer te openen. [182] In volgende brieven worden updates gegeven over de voortgang, waarbij in januari 2019 wordt gemeld dat extra vertraging in de levering is opgelopen door extreme regenval en vertraging in levering van apparatuur. [183] In maart en juni 2019 wordt gemeld dat er vertraging is door overstroming van wegen. [184] De strekking in genoemde
delay lettersen
updatesis herhaaldelijk dat er vooruitgang is geboekt en dat de verwachting is dat er snel weer goud kan gaan worden geleverd. Uit brieven in het dossier volgt dat niet alle kopers op hetzelfde moment dezelfde informatie over de stand van zaken kregen. Op het kantoor van [handelsnaam] is bij de doorzoeking een schema aangetroffen waarin per maand voor beide agentschappen, [medeverdachte 8/bedrijf] en [medeverdachte 7/bedrijf] , staat aangegeven welke
delay letteren
updatemoeten worden verstuurd. [185] [medeverdachte 7/bedrijf] , [medeverdachte 8/bedrijf] en [medeverdachte 2] hebben e-mailcontact met [medeverdachte 1] over de
delay letters, onder meer over goedkeuring van de inhoud van de brieven. [186] Ook hebben [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] contact gehad over de inhoud van de brieven. [187]
In juli 2018 wordt aan een aantal kopers het recent betaalde aankoopbedrag geretourneerd. [medeverdachte 2] is met de onderneming [bedrijf 8] (voorheen [bedrijf 4] ) eind 2018 weer begonnen met uitgifte van obligaties betreffende een goudmijn in Ghana genaamd [goudmijn] . [188] In februari 2019 hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] contact over een volgende mijn. [medeverdachte 3] schrijft dat hij die gaat vinden en bericht dan: “25 mio”. [189]

De financiën

Vanaf het begin van de verkoop van FGS in Nederland en België in 2015 tot en met het einde van de verkoop in juli 2018 zijn in totaal ongeveer 1.700 koopovereenkomsten gesloten met bijna 700 personen. Het ging daarbij om in totaal ruim 1.443 kilogram goud met een koopsom van in totaal ongeveer € 45.423.000,-. [190] Van de overeenkomsten die na 12 september 2017 zijn aangegaan is het bijbehorende goud niet uitgeleverd aan de kopers. Het gaat om 1.071 overeenkomsten die in totaal zien op 795 kilogram goud. [191]
Van de betaalde koopsommen is ongeveer € 21 miljoen overgemaakt naar [bedrijf 7] voor de aanschaf van aan kopers uit te leveren goud. [192] Er is ruim € 3,9 miljoen overgemaakt naar buitenlandse bankrekeningen, waarvan ongeveer € 673.662,- na 1 april 2017. [193] In totaal is ongeveer € 20 miljoen als commissie uitbetaald aan verdachten en hun ondernemingen. [194] [medeverdachte 3] heeft uiteindelijk € 1.061.000,- ontvangen [195] ,
[medeverdachte 2] € 4.564.000,- [196] , [verdachte] € 404.000,- [197] en [medeverdachte 4] € 3.791.965,- [198] .

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1: oplichting

Voor een strafbare oplichting zoals bedoeld in artikel 326 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is nodig dat de verdachte één of meer oplichtingsmiddelen heeft gebruikt, waardoor degene die is opgelicht is bewogen tot afgifte van een goed. De verdachte moet daarbij het oogmerk hebben gehad om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen.

Oplichtingsmiddelen

Juridisch kader
In artikel 326 lid 1 Sr Pro worden drie soorten oplichtingsmiddelen vermeld: het aannemen van een valse naam of hoedanigheid, het gebruik van listige kunstgrepen en het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels. Deze oplichtingsmiddelen hebben als belangrijk gemeenschappelijk kenmerk dat vereist is dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daar misbruik van te kunnen maken. [199]
Bij de oplichtingsmiddelen die bestaan uit
het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheidgaat het er in de kern om dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de 'persoon' van de verdachte, hetzij wat betreft diens naam, hetzij wat betreft diens hoedanigheid. De in de rechtspraak wel gebruikte formulering, dat een verdachte zich als een 'bonafide' deelnemer aan het rechtsverkeer heeft gepresenteerd, is met betrekking tot het aannemen van een valse hoedanigheid slechts relevant als zo’n presentatie als bonafide (potentiële) wederpartij berust op voldoende specifieke gedragingen die in de desbetreffende context erop zijn gericht bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen teneinde daarvan misbruik te maken.
Bij listige kunstgrepen gaat het in de kern om meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling die een onjuiste voorstelling in het leven kan roepen.
Bij een samenweefsel van verdichtsels gaat het in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. Van 'meer dan een enkele leugenachtige mededeling' kan niet slechts sprake zijn als meerdere duidelijk van elkaar te scheiden leugens kunnen worden aangewezen, maar ook als sprake is van één leugenachtige mededeling van voldoende gewicht, in combinatie met andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden, zoals het misbruik van een tussen de verdachte en het beoogde slachtoffer bestaande vertrouwensrelatie. Als de verdachte ten tijde van het sluiten van een overeenkomst bepaalde informatie geeft, bijvoorbeeld over een gegarandeerd rendement of het storten van de gelden op een geblokkeerde rekening, terwijl hij op dat moment al weet dat nakoming op die punten zo niet uitgesloten dan toch zeer onzeker is, strookt die gegeven informatie niet met de werkelijkheid en kan die omstandigheid bijdragen aan het samenweefsel van verdichtsels. [200]
Beoordeling rechtbank
De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] en de medeverdachten zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van oplichting door kopers te benaderen, in strijd met de waarheid voor te wenden dat ontvangen gelden werden geïnvesteerd in de delving en/of productie van goud, dat FGS een betrouwbaar product was, dat het fysieke goud na tien maanden zou worden uitgeleverd en dat dit goud afkomstig was uit de exploitatie van de goudmijn. Eveneens acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] en de medeverdachten dit hebben gedaan door fysiek goud uit te leveren en daarmee voor te wenden dat FGS een betrouwbaar product was, er sprake was van renderende mijnbouw en/of een bonafide verkooporganisatie en dat het goud afkomstig was uit de exploitatie van de goudmijnen of werd gefinancierd met opbrengsten daaruit.
De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] en de medeverdachten zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van oplichting door het aanbieden van 10% korting op de marktconforme goudprijs. Ten aanzien van genoemde korting geldt dat deze is aangeboden, maar dat dit niet te heeft gelden als oplichtingsmiddel, omdat met betrekking tot die korting geen onjuiste voorstelling van zaken in het leven is geroepen. De korting werd immers daadwerkelijk aangeboden en verleend. Voor de overige opgesomde oplichtingsmiddelen is dat wel het geval.
In het kader van de feitenvaststelling, in het bijzonder paragraaf 3.3.2, is opgesomd welke informatie aan de potentiële kopers is verstrekt. De rechtbank stelt vast dat er door uitingen en handelingen van [verdachte] en de medeverdachten een onjuiste voorstelling van zaken in het leven is geroepen.
Het goud dat tien maanden na het aangaan van de koopovereenkomst aan kopers werd of zou worden geleverd, zou volgens de door [verdachte] en zijn medeverdachten verstrekte informatie uit (exploitatie van) de mijn komen of in ieder geval zijn betaald van de opbrengsten van de verkoop van uit de mijn afkomstig goud. De rechtbank stelt echter vast dat de mijn nauwelijks goud heeft geproduceerd. Het dossier bevat geen productiecijfers. [medeverdachte 1] verklaart dat er gedurende de tenlastegelegde periode maximaal 2.000 troy ounce (ongeveer 62 kilogram) goud uit de mijn is gehaald,. In de aangetroffen
sales allowancesis alleen al in de periode van juli 2017 tot juli 2018 voor de verkoop van 490 kilogram goud toestemming gegeven aan één van de agentschappen. In de periode van eind 2015 tot juli 2018 is er in werkelijkheid 1.443 kilogram goud verkocht, meer dan 23 keer zoveel als er volgens [medeverdachte 1] is gedolven. De hoeveelheid goud die is verkocht, kon dus niet afkomstig zijn van door de mijn zelf geproduceerd goud of de opbrengst daarvan.
De verkochte hoeveelheid goud stijgt ver uit boven de door [verdachte] en de medeverdachten verstrekte informatie, dat slechts 25% van de hoeveelheid door de mijn geproduceerd goud zou worden verkocht ter financiering van de (verdere) exploitatie van de mijn. In de gepubliceerde en verstrekte brochures werd gesproken over grote delvingscapaciteiten. Er wordt in de ene brochure vermeld dat 25% van de verwachte productie 2.200 troy ounce is, in een andere dat dit 10.000 troy ounce is en in weer een andere brochure staat dat de 10.000 troy ounce wordt uitgebreid. Gezien de gerealiseerde productie is ook dit een onjuiste voorstelling van zaken.
Voor de aanschaf van FGS sloten kopers een koopovereenkomst met [onderneming 1] , terwijl aan de kopers werd voorgehouden dat [onderneming 1] beursgenoteerd was, de mijnbouwvergunningen voor de mijn bezat en daar goud kon gaan delven. Nergens is echter uit gebleken dat [onderneming 1] , al dan niet via [concern] , eigenaar was van de mijn of enige aanspraak kon maken op de mijnbouwvergunning van de mijn. Er liep juist een juridische procedure tegen [onderneming 1] over ten onrechte geclaimde rechten op de mijn(bouwvergunning). Ook werd kopers in de algemene voorwaarden de zekerheid geboden dat, als [onderneming 1] het goud niet zou leveren, zij de waarde van het aangeschafte goud zouden kunnen verhalen op de activa van [onderneming 1] . Ze ontvingen daartoe een goudcertificaat, waarmee de indruk van een waarborg werd gewekt. [onderneming 1] blijkt echter nauwelijks waarde te hebben vertegenwoordigd, zodat deze garantie een lege huls is.
De FGS zijn verkocht onder het voorwendsel dat dit de mogelijkheid was voor [onderneming 1] om financiering te krijgen voor investeringen in de exploitatie van de mijn en dus om zo goud te kunnen winnen. Van de ontvangen FGS-gelden is echter nauwelijks geld naar het buitenland overgemaakt en de rechtbank constateert dat zij van het geld dat wel naar het buitenland is overgemaakt niet kan vaststellen dat dit ten goede van de (exploitatie van de) mijn en de goudwinning is gekomen. Als er al gelden zijn geïnvesteerd in de (exploitatie van de) mijn, gaat dat om een relatief verwaarloosbaar bedrag, gelet op de verhouding tussen het naar het buitenland overgemaakte geld en de totaal ontvangen FGS-gelden.
Er zijn in het geheel geen geldstromen vanuit Tanzania naar Nederland te zien, hetgeen bij een substantiële goudproductie in de mijn en/of opbrengst daaruit wel in de rede had gelegen. Dit wijst er naar het oordeel van de rechtbank op dat sprake is geweest van een onjuiste voorstelling van zaken door [medeverdachte 1] en de medeverdachten.
Uit het dossier volgt dat het door de FGS-kopers ingelegde geld voor het overgrote deel is gebruikt om goud in te kopen bij [bedrijf 7] voor de uitlevering van goud aan eerdere FGS-kopers én om hoge commissies uit te betalen aan de agentschappen en
resellers.
Door in het begin via [bedrijf 7] goud te leveren aan FGS-kopers na ommekomst van de afgesproken tien maanden leek het alsof alles liep volgens het geschetste plan en alsof de mijn daadwerkelijk de voorgewende hoeveelheid goud produceerde. Met deze werkwijze hebben [verdachte] en de medeverdachten ten onrechte vertrouwen gewekt bij FGS-kopers.
De informatie over [onderneming 1] , de mijn en de FGS-overeenkomsten, zoals verdachten die via diverse communicatiemiddelen aan potentiële kopers hebben verstrekt, was gelet op al het bovenstaande in strijd met de waarheid.
Zoals uit het voorgaande naar voren komt, gaat het om meer dan een enkele leugenachtige mededeling die is gedaan door [verdachte] en de medeverdachten. Door middel van het verkoopverhaal in zijn geheel hebben verdachten ernstig bedrieglijk gehandeld en zo een onjuiste voorstelling in het leven geroepen om daar misbruik van te maken.
Daarin weegt de rechtbank mee dat [verdachte] en de medeverdachten ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten al wisten dat correcte nakoming van de overeenkomsten uitgesloten, of zo niet uitgesloten, dan toch zeer onzeker was. [medeverdachte 1] heeft de agentschappen en
resellerstijdens hun bezoeken aan de mijn verteld over de problemen die er waren. Aangezien de FGS-geldstroom in Nederland bleef en voor een aanzienlijk deel werd uitgekeerd aan de agentschappen en
resellersin de vorm van commissies, en er geen fysiek goud en/of gelden uit Tanzania werd ontvangen, wisten verdachten van meet af aan dat de overeengekomen uitlevering van goud na tien maanden op den duur niet (volledig) kon worden waargemaakt. Er ontstond immers een steeds groter gebrek aan de daarvoor benodigde financiële middelen. Voor [medeverdachte 1] geldt des te meer dat hij van meet af aan wist dat de FGS-overeenkomsten op den duur niet konden worden nagekomen, omdat hij het best op de hoogte was van de situatie van de mijn, waaronder de problemen rondom de eigendom van de mijn(bouwvergunning), de investeringen die niet werden gedaan met FGS-gelden en de productie die zich nog slechts in de testfase bevond. Zelfs in april 2018 vond er nog een bezoek plaats van kopers aan de mijn, toen de arbitrageprocedure al gestart was, waarvan [medeverdachte 1] als CEO van de daarin betrokken ondernemingen op de hoogte was.
Door aan (potentiële) FGS-kopers toch informatie te verstrekken over bijvoorbeeld investering van hun geld in de (exploitatie van de) mijn, het beeld te schetsen van renderende mijnbouw en gegarandeerde uitlevering van fysiek goud, afkomstig uit de mijn of opbrengsten uit de exploitatie daarvan, over tien maanden, hebben verdachten mededelingen gedaan die niet strookten met de werkelijkheid. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook sprake van een samenweefsel van verdichtsels.
Door bovengenoemde, specifieke gedragingen van de verdachten die deelnamen aan de verkooporganisatie is bovendien een onjuiste voorstelling van zaken in het leven geroepen met betrekking tot de persoon van de verdachten, namelijk in de zin dat zij bonafide agenten of verkopers waren die handelden namens een bonafide verkooporganisatie. Naar het oordeel van de rechtbank vormt het samenstel van alle handelingen van [verdachte] en de medeverdachten ook het aannemen van een valse hoedanigheid.
Ten slotte hebben [verdachte] en de medeverdachten met bovengenoemde handelingen gebruik gemaakt van listige kunstgrepen, waaronder het verstrekken van brochures met daarin informatie die niet strookte met de werkelijkheid.
Voor zover [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] hebben willen stellen dat ze mochten vertrouwen op de mededelingen van [medeverdachte 1] over de eigendom van de mijn(bouwvergunningen), de investeringen in de (exploitatie van de) mijn en de productie van de mijn, is de rechtbank van oordeel dat zij niet enkel op die mededelingen hebben mogen afgaan. Bij een zakelijk project en een verkoopconstructie van een dergelijke omvang met grote financiële consequenties had van hen mogen worden verwacht dat zij de deugdelijkheid en legitimiteit van dit project en deze constructie tijdig en serieus controleerden door gedegen onderzoek daarnaar. Daarvan is de rechtbank niet gebleken.

Causaliteit

Juridisch kader
Voor oplichting is vereist dat iemand door de oplichtingsmiddelen wordt bewogen tot bijvoorbeeld de afgifte van enig goed. Van dit vereiste causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat de koper mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot een gedraging. [201] In dit geval is dat de afgifte van zijn of haar geld. Of genoemd causaal verband aanwezig is, wordt beoordeeld op basis van de omstandigheden van het geval. Daartoe kunnen behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer. Oplichting is niet aan de orde wanneer het slachtoffer gelet op alle omstandigheden van het geval de in de gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.
Beoordeling rechtbank
De rechtbank acht bewezen dat de FGS-kopers (mede) zijn bewogen om hun geld af te geven door een of meer van de in 3.4.1.1 bewezen geachte oplichtingsmiddelen en de daardoor in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken.
Dat de afgifte van de FGS-gelden heeft plaatsgevonden, acht de rechtbank bewezen op grond van de overeenkomsten tussen de FGS-kopers en [onderneming 1] , en de bijbehorende betalingen.
De rechtbank gaat ervan uit dat de keuze van de FGS-kopers om hun geld af te geven werd ingegeven door de wens daarop een rendement te verkrijgen en de zekerheid te hebben dat hun geld op de juiste manier zou worden besteed, en dat zij zonder de onjuiste informatie hierover niet waren overgegaan tot deze afgifte. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
Het zijn feiten van algemene bekendheid dat mensen hun geld beleggen om daar rendement uit te krijgen en dat beleggers zich voorafgaand aan die belegging laten informeren, zoals door kennis te nemen van informatie op websites, in brochures of in een gesprek. Ook in dit geval hebben de FGS-kopers verklaard dat zij informatie over FGS tot zich hebben genomen en dat hen in die informatie rendement werd voorgehouden. Zij zijn op verschillende manieren van informatie over FGS voorzien. Zo hebben bijvoorbeeld kopers [persoon 19] , [persoon 11] , [persoon 6] en [persoon 20] verklaard over de brochure die zij hebben ontvangen en hebben bijvoorbeeld kopers [persoon 21] en [persoon 8] verklaard dat ze de informatie op de website van de
resellerhebben gelezen. Anderen hebben verklaard over telefonische gesprekken of gesprekken in persoon waarin hen door de
resellersinformatie werd gegeven over FGS.
Uit hun verklaringen volgt dat alle FGS-kopers door de door verdachten verstrekte informatie en de daarin in het leven geroepen voorstelling van zaken zijn overtuigd om de FGS-overeenkomst te sluiten. Dit is in essentie immers wat alle verhoorde FGS-kopers hebben verklaard. Zo heeft een aantal FGS-kopers verklaard over de voorgehouden constructie van een FGS, namelijk dat de gelden van FGS-kopers geïnvesteerd zouden worden in de mijn en het productieproces. Ook hebben FGS-kopers verklaard dat hen is verteld dat het na tien maanden aan hen uit te leveren goud in de mijn zou worden gedolven, dan wel dat goud werd gekocht van de opbrengst daaruit. Ook hebben kopers verteld over de indruk die werd gewekt van een betrouwbaar product en een betrouwbare organisatie. Die indruk werd gewekt door de vooraf verstrekte informatie, de verstrekte documenten en certificaten, de voorafgaande uitbetaling uit obligaties via [handelsnaam] en, na verloop van tijd, de uitlevering van fysiek goud.
Op basis van het totaalbeeld van FGS en [onderneming 1] , dat uit de informatie naar voren kwam, en het daarmee gecreëerde vertrouwen hebben de FGS-kopers besloten FGS te kopen. Hoewel uit de verklaringen niet expliciet naar voren komt dat het beeld voor iedere FGS-koper uit exact dezelfde elementen van informatie ontstond, omdat niet alle kopers even expliciet over het verkoopverhaal verklaren, verklaren alle in de tenlastelegging genoemde FGS-kopers in essentie gelijk. Uit het dossier blijkt ook niet dat de FGS-kopers hun beslissing tot afgifte van hun geld om FGS te kopen hebben gebaseerd op andere informatie over de FGS dan de informatie die afkomstig was van verdachten, zoals vermeld in onder meer de brochures. De rechtbank stelt, gelet op de vaste jurisprudentie, dan ook vast dat voor iedere koper geldt dat hij of zij zonder het vastgestelde samenweefsel van verdichtsels, de vastgestelde valse hoedanigheid en/of de vastgestelde listige kunstgrepen niet zou zijn overgegaan tot het sluiten van de FGS-overeenkomst en dus tot afgifte van de koopsom. Zij zijn allemaal bewogen door een of meer van de als oplichtingsmiddel genoemde mededelingen en/of handelingen.
Een aantal FGS-kopers heeft te kennen gegeven zijn of haar bij de FIOD afgelegde verklaring te willen intrekken. Deze FGS-kopers maken deel uit van een initiatiefgroep die meent dat nakoming van de FGS-overeenkomsten alsnog mogelijk is. Dit maakt echter niet dat een bewezenverklaring van oplichting van deze kopers is uitgesloten. Het intrekken van een getuigenverklaring is niet mogelijk, zodat de verklaringen van deze FGS-kopers wel voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Bovendien zijn sommige van deze FGS-kopers later nog als getuige verhoord bij de rechter-commissaris en zijn zij daar niet wezenlijk op de inhoud van hun verklaring teruggekomen. Dit maakt dat de rechtbank de verklaringen ook betrouwbaar acht. De rechtbank sluit niet uit dat de wens tot intrekking van de verklaring van een aantal FGS-kopers is ingegeven door de hoop dat er toch nog goud gaat worden geleverd en dat de kans daarop met intrekking van de verklaring groter zou zijn. Dat zij nog steeds geloven in het product, de betrokken ondernemingen en de personen daarachter kan worden gezien als een bevestiging van de geraffineerdheid van het samenweefsel van verdichtsels, de valse hoedanigheid en listige kunstgrepen, en het feit dat de kopers daardoor tot afgifte zijn bewogen.
Verder overweegt de rechtbank dat de algemene behoedzaamheid die ook van de FGS-kopers mocht worden verwacht, niet zo ver reikt dat zij in dit geval de onjuistheid van de informatie en van de constructie hadden hoeven doorzien. Dat een aantal van de FGS-kopers wellicht meer ervaring had met beleggen, maakt niet dat dit voor hen anders zou zijn. De FGS zoals die werd aangeboden betrof immers een geraffineerd, ingewikkeld en ondoorzichtig opgezet product. Op websites werd bijvoorbeeld via reisverslagen en interviews het beeld gecreëerd van een bestaand en succesvol product waar door anderen onderzoek naar is gedaan. Het ging bovendien om een internationale constructie rondom een mijngebied in Tanzania, waarbij ondernemingen uit verschillende landen betrokken waren, zodat een eigen onderzoek daarnaar niet eenvoudig zou zijn geweest. In de overeenkomst is ook Engels recht van toepassing verklaard, hetgeen voor Nederlandse en Belgische potentiële kopers een extra moeilijkheid betekent. Daarnaast werd geschermd met de betrokkenheid van een Amerikaanse advocaat en gerenommeerde partners, zoals [bedrijf 7] en Nederlandse banken. Potentiële kopers mochten er tot op zekere hoogte op vertrouwen dat dergelijke partijen aan hun eigen onderzoeksplicht hadden voldaan alvorens deze samenwerking aan te gaan. Toen een potentiële koper om meer informatie vroeg, werd hij ten slotte afgewimpeld, zodat kan worden aangenomen dat verdachten enig eigen onderzoek naar hun product actief frustreerden.

Oogmerk wederrechtelijke bevoordeling

Juridisch kader
Tot slot is voor een bewezenverklaring van oplichting vereist dat de verdachte heeft gehandeld ‘met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling’. Onder dit oogmerk valt niet alleen ‘het naaste doel’ dat wordt beoogd, maar ook wat met dat doel onverbrekelijk samenging. In het laatste geval wist de verdachte dat zijn handelen als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg wederrechtelijke bevoordeling met zich bracht. [202]
Beoordeling rechtbank
Het is duidelijk dat verdachten hebben gehandeld met het doel om geld te verdienen aan het verkopen van FGS. Met geld verdienen op zichzelf is niets mis, maar wel als dat in strijd met de wet gebeurt. De constructie was dat verdachten door hun handelen geld zouden ophalen bij FGS-kopers en dat zij daaruit een bedrag aan commissie zouden ontvangen. Hun doel was dus dat zij zelf zouden worden bevoordeeld. Dat de bevoordeling op een wederrechtelijke manier plaatsvond, blijkt uit de in de vorige paragrafen omschreven wijze van bedrijfsvoering en de loop van de geldstromen, namelijk het gebrek aan enige geldstroom uit het buitenland naar de in Nederland betrokken agentschappen,
resellersen goudleverancier, en het gebruik van het FGS-geld om het aan eerdere kopers uit te leveren fysieke goud en de commissies voor de agentschappen en
resellerste betalen. De FGS-kopers zijn daardoor gedupeerd geraakt. Door deze manier van handelen was wederrechtelijke bevoordeling een noodzakelijk, onverbrekelijk verbonden, en dus gewild gevolg van het handelen van verdachten. Zelfs als het primaire doel van het handelen van verdachten niet hun eigen bevoordeling en het duperen van de FGS-kopers was, waren beide wel een automatisch gevolg van de verkoopconstructie. Door bewust mee te werken aan deze verkoopconstructie en daar deel van uit te maken, hadden verdachten het vereiste oogmerk.

Pleegperiode

De eerste betaling door een FGS-koper heeft plaatsgevonden in december 2015. De oplichting is echter al eerder aangevangen, namelijk op het moment van het benaderen van en informatie verstrekken aan potentiële kopers hetgeen logischerwijs aan het sluiten van FGS-overeenkomsten moet zijn voorafgegaan. De rechtbank wijst in dit kader bijvoorbeeld op het vastleggen van de domeinnamen in overleg met [medeverdachte 2] in februari 2015, de oprichting van [bedrijf 4] in mei 2015 en de oprichting van [medeverdachte 7/bedrijf] in juni 2015. De laatste verkopen en betalingen hebben blijkens het dossier in juli 2018 plaatsgevonden. Die maand is daarmee de laatste waarin kopers bewogen zijn tot afgifte. De rechtbank zal daarom bewezen verklaren dat de oplichting is gepleegd in de periode van 1 mei 2015 tot 1 augustus 2018.
Voor [verdachte] geldt dat zij in september 2016 betrokken is geraakt, zodat dat voor haar als aanvangsdatum heeft te gelden.

Medeplegen

Ten aanzien van het tenlastegelegde medeplegen overweegt de rechtbank als volgt.
[medeverdachte 1] heeft door het afsluiten van de agentuurovereenkomsten met [medeverdachte 7/bedrijf] en [medeverdachte 8/bedrijf] verzocht goud te verkopen via FGS en in zijn opdracht droegen de agentschappen zorg voor de levering van het goud via [bedrijf 7] . Hij had overleg met de agentschappen en soms ook met de
resellers. Hij leverde de informatie over [onderneming 1] en de mijn aan. [medeverdachte 1] had direct zicht op de productie van de mijn en de toestand ter plaatse. [medeverdachte 1] staat in de functie van CEO van [onderneming 1] als contractspartij op de met de FGS-kopers gesloten overeenkomsten en op de aan de FGS-kopers verstrekte certificaten.
[medeverdachte 3] , [verdachte] en later ook [medeverdachte 2] waren bestuurder van de agentschappen en waren inhoudelijk betrokken bij de werkzaamheden van de agentschappen. Daarbij geldt dat [medeverdachte 2] in een dubbelrol fungeerde, namelijk ook als
reseller. Zij waren op de hoogte van de informatie die aan FGS-kopers werd verstrekt. Zij hadden allemaal zicht op en/of zeggenschap over de geldstromen van [medeverdachte 7/bedrijf] en [medeverdachte 8/bedrijf] , en de daaraan gelieerde stichtingen. Eerst [medeverdachte 3] en later ook [verdachte] gaven namens [medeverdachte 1] aan [bedrijf 7] de opdrachten om het goud aan kopers uit te leveren. Zij verzorgden ook de overboekingen van de commissies. Ook [medeverdachte 2] had in ieder geval na de overname van [medeverdachte 7/bedrijf] zicht hierop.
Voor de
resellers[medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] (in het begin) komt daar, qua handelingen en bewustheid, nog het volgende bij.
[medeverdachte 2] was al betrokken bij de verkoop van FGS voor [onderneming 1] in het Verenigd Koninkrijk. Hij kende verschillende van de medeverdachten uit de onderneming die later onderwerp werd van het strafrechtelijk onderzoek Zevenblad. Hij heeft de mijn in Tanzania bezocht. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat bij bezoeken van agenten de problemen zijn voorgelegd. Uit de e-mail die [medeverdachte 2] in oktober 2017 ontving van [medeverdachte 3] over het niet-mogen noemen van [bedrijf 16] volgt dat hij wist dat er iets te verbergen viel over de eigendom van de aandelen en/of mijnbouwvergunningen. Hij heeft [handelsnaam] opgezet in 2015 en heeft vervolgens verschillende rollen vervuld. Hij was de eigenaar en directeur van [handelsnaam] , en informeerde en instrueerde de verkopers van [handelsnaam] . Hij was ook betrokken bij het verstrekken van de brochures en maakte berichten op de website. Ook heeft hij het contact met [bedrijf 7] gelegd. Vanaf de overname van [medeverdachte 7/bedrijf] in april 2017 heeft hij een nog grotere rol gekregen. [medeverdachte 2] wist verder dat de AFM onderzoek deed naar de obligaties en FGS, en hij had kritische vragen van de AFM gehad.
Ook de rol van [medeverdachte 4] was groter dan enkel die van verkoper. Ook hij kende diverse medeverdachten uit de onderneming die later onderwerp werd van het eerdere strafrechtelijk onderzoek Zevenblad. Hij was betrokken bij het maken en versturen van de informatievoorziening, zoals de brochures, websites en e-mails, aan klanten. Hij had ook contact met [bedrijf 7] over de vraag of goud aan een bepaalde FGS-koper was uitgeleverd. Hij heeft verklaard dat hij wist dat de inleg van kopers werd gebruikt voor de aanschaf van het uit te leveren goud bij [bedrijf 7] . Verder hebben hij en [medeverdachte 9] , met wie hij nauw samenwerkte, de mijn in Tanzania bezocht, waar [medeverdachte 1] naar eigen zeggen ook de
resellersheeft geïnformeerd over de problemen met de productie van de mijn. Ook hebben zij als
resellersdirect contact met [medeverdachte 1] gehad, waaronder een avondvullende bijeenkomst begin 2016 waarbij ook [medeverdachte 3] aanwezig was en alles met betrekking tot FGS naar voren is gekomen. [203]
De rechtbank is gezien het vorenstaande van oordeel dat verdachten nauw en bewust hebben samengewerkt bij het oplichten van FGS-kopers, zodat de rechtbank medeplegen bewezen acht.
[medeverdachte 2] en [medeverdachte 4]
De bewezenverklaring geldt voor [medeverdachte 2] enkel ten aanzien van de kopers via [handelsnaam] en voor [medeverdachte 4] enkel ten aanzien van de kopers via [handelsnaam 2] .

Feit 2: deelneming aan criminele organisatie

Juridisch kader
Om aan de vereisten van het strafbare feit deelname aan een criminele organisatie, zoals bedoeld in artikel 140 Sr Pro, te voldoen moet worden vastgesteld dat i) er sprake is van een organisatie, dat ii) die organisatie als oogmerk het plegen van misdrijven had en iii) dat de verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen.
Om te kunnen spreken van een organisatie moet er sprake zijn van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen verdachte en ten minste één andere persoon, hetgeen ook een rechtspersoon kan zijn. Het hoeft niet vast komen te staan dat de verdachte heeft samengewerkt met alle andere personen van het samenwerkingsverband of dat de samenstelling ervan steeds dezelfde is. Van deelname aan een organisatie kan slechts sprake zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in de gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van deze organisatie. Voor het aannemen van opzettelijke deelname is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van voorwaardelijk opzet) dat de organisatie het oogmerk tot het plegen van misdrijven heeft.
Beoordeling rechtbank
Door verdachten zijn ruim 1.700 FGS-overeenkomsten gesloten met bijna 700 FGS-kopers. Een deel van deze kopers is als slachtoffer van oplichting opgenomen in de tenlastelegging. Verdachten zijn met de oplichting via de FGS-verkoop in Nederland en België in ieder geval drie jaar bezig geweest. Het ging dus niet om een enkel geval van oplichting, maar om telkens opnieuw een geval van oplichting van iedere individuele FGS-koper, hetgeen de rechtbank vaststelt als oogmerk van de criminele organisatie. Met hun verkoopconstructie zorgden verdachten samen voor een eenduidige informatievoorziening richting (potentiële) kopers en voor een gestructureerd vervolg zodra de FGS-overeenkomsten eenmaal waren afgesloten, waarbij de uitlevering van het beloofde goud aan de ene FGS-koper werd gefinancierd met de inleg van de andere FGS-koper. Dat was een omvangrijke organisatie die coördinatie vergde. Om daarin te kunnen slagen, zijn de activiteiten van de verschillende actoren blijkens het dossier voor langere tijd duurzaam en gestructureerd onderling op elkaar afgestemd. Hierdoor kregen deze activiteiten een stelselmatig karakter. Verdachten hadden een onderlinge taakverdeling en diverse punten werden met elkaar afgestemd, zoals de aangeboden acties of kortingen en de te verstrekken informatie op websites en in brochures. [medeverdachte 3] was van begin af aan de spil in het geheel, die (degenen die werkzaam waren bij) [handelsnaam 2] , [handelsnaam] , [medeverdachte 7/bedrijf] , [medeverdachte 8/bedrijf] en de stichtingen met elkaar verbond. [medeverdachte 1] was verantwoordelijk voor de mijn met zijn ondernemingen [onderneming 1] en [concern] , hij benaderde [medeverdachte 3] als agent voor de FGS-verkoop, [medeverdachte 3] schakelde [medeverdachte 9] en [medeverdachte 4] in als
resellersen [medeverdachte 2] had in het geheel een dubbelrol als agent en
resellervia [medeverdachte 7/bedrijf] , [handelsnaam] en [bedrijf 8] . [verdachte] verzorgde voor beide agentschappen, [medeverdachte 7/bedrijf] en [medeverdachte 8/bedrijf] , de financiële administratie en deed de overboekingen van de FGS-gelden, die binnenkwamen op de rekeningen van [stichting 1] , [stichting 2] en [stichting 3] . De bewijsmiddelen en een uitgebreidere uiteenzetting van het feitelijk handelen van verdachten staan opgenomen in paragraaf 3 van dit vonnis.
De gedragingen, die de verdachten binnen [medeverdachte 7/bedrijf] en/of [medeverdachte 8/bedrijf] hebben verricht, kunnen op grond van de door de Hoge Raad ontwikkelde criteria aan [medeverdachte 7/bedrijf] en/of [medeverdachte 8/bedrijf] worden toegerekend, zodat ook deze vennootschappen als deelnemers aan de criminele organisatie kunnen worden aangemerkt.
De rechtbank acht gelet op al het voorgaande, inclusief de bewijsmiddelen ten aanzien van de oplichtingen onder feit 1, in onderling verband en samenhang bezien, bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die zich bezighield met oplichting van FGS-kopers en die telkens dat oogmerk had.
Pleegperiode
De rechtbank komt ten aanzien van de deelname aan de criminele organisatie tot bewezenverklaring van een ruimere pleegperiode dan ten aanzien van de oplichtingen. Nadat de FGS-verkoop was geëindigd en de oplichting in die zin dus was afgerond, hebben verdachten de organisatie namelijk nog voortgezet. Zij deden dit onder andere door het versturen van
delay letters. De illusie dat [onderneming 1] een betrouwbare partner was en het goud nog zou gaan leveren, werd zo in stand gehouden. FGS-kopers en andere betrokkenen, zoals [bedrijf 7] , werd voorgehouden dat sprake was van bijzondere omstandigheden, waardoor er op dat moment tijdelijk geen goud kon worden geproduceerd in de mijn. Volgens de
delay lettersen
updates, die verdachten in dit kader aan de FGS-kopers verzonden, liep de productie enkel vanwege praktische problemen achter en zou er op korte termijn alsnog gaan worden geleverd. Ook gaf [medeverdachte 2] zijn onderneming [bedrijf 4] een nieuwe naam, [bedrijf 8] , onder welke naam hij dezelfde soort werkzaamheden ten aanzien van een goudmijn genaamd [goudmijn] in Ghana voortzette. Ook spreken [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in 2019 in een chatbericht over een nieuwe mijn om het bewezen concept mee voort te zetten. Daaruit maakt de rechtbank op dat verdachten hun handelen binnen de criminele organisatie, met het oogmerk van het telkens plegen van oplichting, voortzetten.

Overige verweren

Overige bewijsverweren van de verdediging vinden hun weerlegging in de bewijsmiddelen.

Bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de in 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Feit 1
in de periode van 1 september 2016 tot 1 augustus 2018 in Nederland en/of in België en/of in Canada en/of in de Verenigde Staten en/of in Tanzania, tezamen en in vereniging met anderen meermalen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door
- het aannemen van een valse hoedanigheid en/of
- een of meer listige kunstgrepen en/of
- een samenweefsel van verdichtsels,
personen heeft bewogen tot de afgifte van een of meer girale geldbedragen, te weten:
(kopers via [handelsnaam] )
- [persoon 15] (AG-005) tot de afgifte van Euro 30.000,- en Euro 431.200,- en Euro 308.000,- (in totaal Euro 769.200,-) en
- [persoon 21] (G-011) tot de afgifte van Euro 15.473,25 en Euro 30.500,- (in totaal Euro 45.973,25) en
- [persoon 22] (G-013) tot de afgifte van Euro 30.620,- en
- [persoon 10] (G-023) tot de afgifte van Euro 19.212,- en Euro 32.020,- en Euro 31.250,- en Euro 93.750,- en Euro 61.200,- en Euro 31.048,- en Euro 154.000,- en Euro 154.000,- (in totaal Euro 576.480,-) en
- [persoon 11] (G-025) tot de afgifte van Euro 16.225,- en Euro 15.750,- (in totaal Euro 31.975,-) en
- [persoon 6] (G-028) tot de afgifte van Euro 9.876,- en Euro 15.500,- en Euro 15.524,- (in totaal Euro 40.900,-) en
- [persoon 12] (G-030) tot de afgifte van Euro 16.225,- en Euro 31.050,- en Euro 24.838,40 (in totaal Euro 72.113,40) en
- [persoon 5] (G-032) tot de afgifte van Euro 10.170,- en Euro 4.879,50 en Euro 10.710,- en Euro 12.200,- en Euro 7.762,- en Euro 12.320,- en Euro 6.160,- en Euro 3.100,- (in totaal Euro 67.301,50) en
- [persoon 23] (G- 034 ) tot de afgifte van Euro 8.532,- en Euro 60.200,- en Euro 31.750,- en Euro 64.440,- en Euro 64.440,- en Euro 30.600,- en Euro 30.600,- en Euro 31.320,- en Euro 62.640,- en Euro 62.600,- en Euro 31.350,- en Euro 61.600,- en Euro 61.600,- (in totaal Euro 601.492,-)
en
(kopers via [handelsnaam 2] )
- [persoon 7] (G-016) tot de afgifte van Euro 32.800,- en Euro 31.000,- (in totaal Euro 63.800,-) en
- [persoon 8] (G- 017 ) tot de afgifte van Euro 4.888,50 en Euro 4.716,- en Euro 6.262,- en Euro 6.382,- (in totaal Euro 22.248,50) en
- [persoon 14] (G-019) tot de afgifte van Euro 2.803,- en Euro 2.803,- en Euro 2.803,- en Euro 3.132,- en Euro 3.132,- en Euro 3.150,- en euro 3.006,- (in totaal Euro 20.829,-) en
- [persoon 24] (G-020) tot de afgifte van Euro 24.960,- en Euro 12.524,- (in totaal Euro 37.484,-) en
- [persoon 9] (G-026) tot de afgifte van Euro 31.400,- en
- [persoon 13] (G-027) tot de afgifte van Euro 6.770,- en Euro 6.710,- en Euro 6.480,- en Euro 6.674,- en Euro 6.686,- en Euro 7.692,50 en Euro 6.300,- en Euro 6.146,- en Euro 6.262,- en Euro 6.262,- en/of Euro 7.762,50 (in totaal Euro 73.745,-) en
- [persoon 20] (G-033) tot de afgifte van Euro 66.900,- en 63.000,- en Euro 62.620,- (in totaal Euro 192.520,-) en
- [persoon 16] (G-035) tot de afgifte van Euro 15.675,- en Euro 8.182,50 en Euro 12.600,- en Euro 15.605,- en Euro 15.570,- en Euro 15.655,- en Euro 31.310,- (in totaal Euro 114.597,50) en
- [persoon 17] (G-037) tot de afgifte van Euro 215.180,- en Euro 52.258,- en Euro 91.500,- en Euro 156.550,- (in totaal Euro 515.488,-),
door
1. die personen telefonisch en/of via een website en/of brochure (onder andere DOC-138 en/of DOC-600 en/of DOC-600A) en/of advertentie en/of interview en/of in een verkoopgesprek en/of op een andere wijze te benaderen en die personen
A. in strijd met de waarheid mee te delen en/of voor te wenden dat ontvangen gelden van de kopers (volledig) werden geïnvesteerd in de delving en/of de productie van goud in Tanzania (door [onderneming 1] (Inc.)) en/of
C. in strijd met de waarheid mee te delen en/of voor te wenden dat Forward Gold Sale een betrouwbaar product was en sprake was van (een) renderende mijn(bouw) en een bonafide (verkoop)organisatie en/of
D. in strijd met de waarheid mee te delen en/of voor te wenden dat 10 maanden na het ingaan van het aankoopcontract het goud in fysieke vorm aan de kopers/deelnemers zou worden (uit)geleverd en/of
E. in strijd met de waarheid mee te delen en/of voor te wenden dat het goud afkomstig was uit (de exploitatie van) goudmijnen van [onderneming 1] (Inc.) in Tanzania en/of werd gefinancierd met opbrengsten uit goudmijnen van [onderneming 1] (Inc.) in Tanzania en/of
2. fysiek goud aan die personen uit te leveren en daarmee
A. voor te wenden dat Forward Gold Sale een betrouwbaar product was en sprake was van (een) renderende mijn(bouw) en een bonafide (verkoop)organisatie en/of
B. voor te wenden dat het goud afkomstig was uit (de exploitatie van) goudmijnen van [onderneming 1] (Inc.) in Tanzania en/of werd gefinancierd met opbrengsten uit goudmijnen van [onderneming 1] (Inc.) in Tanzania;
Feit 2
in de periode van 1 september 2016 tot en met 2 april 2019 in Nederland en/of in België en/of in de Verenigde Staten heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit [medeverdachte 2] en [medeverdachte 9] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] en [bedrijf 8] B.V en (voorheen) [bedrijf 4] B.V. ( [bedrijf 4] ) en [bedrijf 6] B.V. (handelend onder de naam [handelsnaam 2] ) en [medeverdachte 7/bedrijf] B.V. ( [medeverdachte 7/bedrijf] ) en [medeverdachte 8/bedrijf] B.V. en Stichting [stichting 1] ( [stichting 1] ) en Stichting [stichting 2] ( [stichting 2] ) en Stichting [stichting 3] ( [stichting 3] ) en [onderneming 1] Inc. en [stichting 3] ., die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten: oplichting (als bedoeld in artikel 326 Wetboek Pro van Strafrecht).

De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

Motivering van de straffen

De eis van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar, waarvan een jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, het blanco strafblad van verdachte en haar persoonlijke omstandigheden, waarbij zowel de strafzaak als tegenslagen in haar privéleven verdachte zorgen en slapeloosheid hebben opgeleverd.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met anderen oplichten van een grote groep FGS-kopers. De rechtbank houdt bij de strafoplegging niet enkel rekening met de in de tenlastelegging genoemde FGS-kopers, maar ook met de andere in het dossier voorkomende gedupeerde FGS-kopers. De rechtbank acht de handelingen ten aanzien van de in de bewezenverklaring bij naam genoemde FGS-kopers representatief voor de handelingen jegens deze andere kopers. Het gaat daarbij blijkens het onderliggende dossier om een delict met een grootschalig karakter. De rechtbank gaat bij de strafbepaling uit van het in het dossier naar voren komende benadelingsbedrag van tientallen miljoenen euro’s.
Verdachten hebben voor de oplichting gebruik gemaakt van een onderneming waarvan werd voorgewend dat die de mijnbouwvergunningen van een mijn in Tanzania zou bezitten en zij hebben ondernemingen en stichtingen in Nederland opgericht om het verkooptraject verder in te richten op een ogenschijnlijk professionele en betrouwbare wijze. Potentiële kopers werd het beeld voorgehouden van een mijn die financiering nodig had om volop te kunnen gaan produceren en die dit geld snel via de FGS-verkoop wilde verkrijgen. Ook werd FGS gepresenteerd als een goede kans voor kopers om via een betrouwbare instantie goedkoop goud te kopen. Het geld dat [onderneming 1] kreeg uit FGS-verkopen werd echter niet gebruikt voor investeringen in de mijn. Het werd voor het overgrote deel gebruikt voor betalingen van commissies aan de agentschappen en
resellers, en voor de aankoop van goud bij [bedrijf 7] . Dat goud, gefinancierd met de inleg van nieuwe FGS-kopers, werd vervolgens uitgeleverd aan eerdere FGS-kopers, zodat in strijd met alles wat de FGS-kopers was voorgespiegeld de inleg van de ene FGS-koper de uitlevering van goud aan de andere FGS-koper mogelijk maakte. Verdachten waren op de hoogte van de geldstromen, die voornamelijk liepen naar de agentschappen, de
resellersen [bedrijf 7] , en nauwelijks naar het buitenland, laat staan aantoonbaar naar de mijn, en daardoor het gebrek aan investering in en productie door de mijn. Terwijl verdachten wisten dat er veel meer goud werd verkocht dan dat er na de afgesproken tien maanden zou kunnen worden geleverd, zijn zij toch overgegaan tot en doorgegaan met de FGS-verkoop. Verdachten hebben samen, door het voorhouden van onwaarheden en door misbruik te maken van het bij FGS-kopers ontstane vertrouwen, beschikking gekregen over het geld van de FGS-kopers. Zo’n 795 kilogram verkocht FGS-goud is niet uitgeleverd, waardoor een groot deel van de FGS-kopers geen goud geleverd heeft gekregen en zijn of haar geld kwijt is.
De schade die de gedupeerde FGS-kopers hebben geleden, blijkt in sommige gevallen enorm en de impact groot. Zo heeft bijvoorbeeld [persoon 15] verklaard dat hij zijn boerderij had verkocht en op zoek was gegaan naar mogelijkheden om zijn geld te investeren. [persoon 14] wilde wat goud kopen voor zijn kleinkinderen. Door verdachten werd bovendien ingespeeld op deze wensen van de FGS-kopers door FGS voor te wenden als een betrouwbaar product dat op een laagdrempelige manier kon worden aangeschaft. Onder meer pensioengelden en spaargelden zijn op deze manier verloren gegaan.
Naast de schade die verdachten hebben toegebracht door het vertrouwen van de individuele FGS-kopers te beschamen, hebben verdachten door hun handelen ook het vertrouwen in (producten op) de financiële markt in zijn algemeenheid geschaad.
Verdachten hebben de oplichting niet een enkele keer gepleegd, maar zich georganiseerd in een crimineel samenwerkingsverband waarmee zij gedurende lange periode op professionele wijze te werk zijn gegaan.
[verdachte] is later ingestapt in de organisatie waarmee FGS werden verkocht, zodat de rechtbank in dit geval in haar voordeel rekening houdt met die kortere pleegperiode. Echter, had zij wel uitgebreid zicht op en vanwege haar specifieke deskundigheid ook verstand van de geldstromen binnen [medeverdachte 7/bedrijf] en [medeverdachte 8/bedrijf] . Zij zag daarbij ook welke bedragen aan commissie werden uitbetaald en wat er aan [bedrijf 7] werd overgemaakt, waar zij zelf voor zorgde. Ze wist dat er geen gelden uit Tanzania werden ontvangen. Ook wist [verdachte] wat er aan
sales allowancesen
delivery allowanceswerd getekend door [medeverdachte 1] , in opdracht waarvan zij [bedrijf 7] betaalde om uit te leveren. Terwijl [verdachte] hier via [medeverdachte 7/bedrijf] al zicht op had gekregen, is zij daarna nog mede-eigenaar geworden van [medeverdachte 8/bedrijf] , dat een vergelijkbare werkwijze hanteerde. Dat [verdachte] , ondanks het zicht op en verstand van de geldstromen die niet overeenkwamen met het door verdachten geschetste beeld van de FGS-verkoop, zelf instapte als mede-eigenaar van [medeverdachte 8/bedrijf] , rekent de rechtbank haar aan.
De LOVS-oriëntatiepunten
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten van de rechtbanken en gerechtshoven (LOVS) en gaat in deze zaak uit van de oriëntatiepunten voor fraude. Bij een benadelingsbedrag vanaf € 1 miljoen start het uitgangspunt bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar. In deze zaak hebben verdachten FGS-kopers voor vele miljoen euro’s opgelicht, met welk bedrag de rechtbank, zoals eerder uiteengezet, rekening houdt. De rechtbank heeft ook gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd.
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank daarnaast rekening gehouden met het individuele voordeel dat [verdachte] volgens de FIOD heeft overgehouden aan de bewezen strafbare feiten, te weten ongeveer € 400.000,- in de periode vanaf september 2016.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 1 september 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld door de strafrechter, zodat er geen aanleiding bestaat om verdachte wegens recidive zwaarder te straffen.
De overschrijding van de redelijke termijn
De termijn van berechting is volgens het oordeel van de rechtbank aangevangen op de datum dat het einddossier aan de verdediging is gestuurd, hetgeen op 1 juni 2021 is geweest. Het eindvonnis wordt gewezen op 1 juli 2026. Dat is niet binnen twee jaar na aanvang van de termijn van berechting. Een redelijke termijn van berechting kan in beginsel op twee jaar worden gesteld. Er is in dit geval sprake van een complex strafrechtelijk onderzoek met internationale aspecten, maar dit rechtvaardigt geen termijn van berechting van ruim vijf jaar nadat het einddossier is verstrekt. De verdediging heeft in deze zaak weliswaar onderzoekswensen ingediend, maar de rechtbank meent dat deze niet van een zodanige omvang waren dat die zouden maken dat de langere duur van het proces volledig aan de verdediging te wijten is. De rechtbank stelt daarom vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden met minstens een jaar is overschreden. Zij oordeelt dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging en dat dit moet leiden tot een strafkorting van 10%.
De straf
Gevangenisstraf
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van wat de officieren van justitie hebben gevorderd.
Alles afwegende vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden passend, maar gelet op de overschrijding van de redelijke termijn van berechting zal zij deze matigen tot 21 maanden.
Beroeps- en bestuursverbod
Gelet op de aard en omvang van de gepleegde oplichting ziet de rechtbank aanleiding om als bijkomende straf aan [verdachte] een beroepsverbod op te leggen. Daarmee wordt de samenleving beschermd tegen frauduleus handelen door [verdachte] .
Op grond van artikel 339 lid 1 Sr Pro kan [verdachte] worden ontzet van de uitoefening in het beroep waarin zij het misdrijf heeft begaan. De werkzaamheden van [verdachte] vielen onder het aanbieden, in de ruimste zin van het woord, van beleggingsproducten dan wel andere financiële producten die gericht zijn op investering door deelnemers, zodat het beroepsverbod daarvoor zal gelden.
Daarnaast vielen haar werkzaamheden onder het beroep van statutair of feitelijk bestuurder van een rechtspersoon in de zin van artikel 51 Sr Pro, zodat het beroepsverbod ook daar op zal zien.
Artikel 31 Sr Pro bepaalt dat de duur van iedere ontzetting de duur van de hoofdstraf tenminste twee en ten hoogste vijf jaar te boven gaat. De rechtbank legt verdachte bovengenoemd beroepsverbod en bestuursverbod beide op voor de duur van zes jaar.
Openbaarmaking vonnis
Om dezelfde reden en met hetzelfde doel als de oplegging van het beroeps-en bestuursverbod, zal de rechtbank openbaarmaking van de uitspraak van [verdachte] gelasten. Nadat het vonnis onherroepelijk is geworden, moet het op www.rechtspraak.nl worden gepubliceerd, zonder dat de personalia van verdachte worden geanonimiseerd of gepseudonimiseerd. Het is aan het Openbaar Ministerie om het vonnis na het onherroepelijk worden als zodanig aan te bieden aan de redactie van www.rechtspraak.nl.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 28, 31, 36, 47, 57, 60, 140, 326 en 339 Sr.
Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart
bewezendat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
1: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd
2: deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven
Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 21 (eenentwintig) maanden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Ontzet [verdachte] van de
uitoefening van het beroepvan: het aanbieden in de ruimste zin van het woord van beleggingsproducten dan wel andere financiële producten die gericht zijn op een investering door deelnemers, voor de duur van 6 (zes) jaar.
Ontzet [verdachte] van de
uitoefening van het beroepvan: bestuurder van ondernemingen die als activiteit hebben het aanbieden in de ruimste zin van het woord van beleggingsproducten dan wel andere financiële producten die gericht zijn op een investering door deelnemers, voor de duur van 6 (zes) jaar.
Gelast de
openbaarmaking van dit vonnisna het onherroepelijk worden daarvan, met vermelding van de personalia van verdachte, door publicatie ervan op www.rechtspraak.nl, waartoe het Openbaar Ministerie dit vonnis dient aan te bieden aan de redactie van voornoemde website.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M. Berkhout, voorzitter,
mrs. M.R.J. van Wel en B. Kuppens, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Steenbakkers, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juli 2026.

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste document- en paginanummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De met DOC aangeduide bewijsmiddelen zijn, tenzij anders vermeld, geschriften.
2.DOC-901, AMB-112, § 2.5.
3.AMB-112, § 2.3.
4.Bijlage 6.1 (‘
5.DOC-145.
6.V-030-01, p. 6 en 7.
7.Z-PV-1, § 2.2
8.Z-PV-1, § 4.4.
9.DOC-778, DOC-775, AMB-147.
10.V-014-01, p. 4-5.
11.Z-PV-1, § 2.1.
12.DOC-715.
13.DOC-880.
14.V30-01, p. 6.
15.AMB-147, p. 4-7, DOC-711, DOC-712, DOC-713.
16.DOC-888.
17.DOC-861.
18.DOC-613 en DOC-775.
19.DOC-778, p. 1.
20.DOC-716.
21.V-30-01, p. 5
22.V-30-01, p. 4
23.DOC-018.
24.DOC-020: [medeverdachte 2] was van mei 2015 tot juli 2017 enig bestuurder en aandeelhouder. Vanaf juli 2017 was zijn toenmalige echtgenote aandeelhouder.
25.[handelsnaam 2] is een van de handelsnamen van de rechtspersoon [bedrijf 6] B.V. (DOC-077), waarvan [medeverdachte 9] via zijn holdingvennootschap 100% aandeelhouder was.
26.V- 017 -01, p. 2 en DOC-460.
27.DOC-559, p. 1-5. Overigens was deze overeenkomst tussen [concern] en [medeverdachte 8/bedrijf] .
28.DOC-085.
29.DOC-007, p. 4 en 8.
30.AMB-001, § 2.2 en AG-001, p. 10 en 11
31.DOC-642, p. 1
32.V-07-01, p. 6, V-08-02, p. 3
33.V-12-05, p. 2
34.DOC-138, DOC-600 en DOC-600A
35.DOC-600, ZPV-2, p. 8
36.DOC-600A, AMB-144, p. 3
37.DOC-706, p. 3, p. 8 en p. 9.
38.V-11-01, p. 7.
39.V-12-05, p. 3-4.
40.V-07-01, p. 14.
41.AMB-179.
42.DOC-113, p. 1-3.
43.DOC-114, 1-2.
44.DOC-145.
45.DOC-112 en DOC-148.
46.DOC-147.
47.DOC-152.
48.DOC-145, p. 1 en 2.
49.DOC-112, p. 1.
50.DOC-148, p. 2.
51.DOC-148
52.DOC-215, DOC-916, DOC-917, DOC-918, DOC-920.
53.Bijvoorbeeld DOC-706, p. 6-7.
54.DOC-705, p. 54-56.
55.DOC-152, p. 2.
56.AMB-011 (geen paginanummer, digitale pagina 848), DOC-153.
57.AMB-119.
58.Bijvoorbeeld G-035-01, p. 3.
59.DOC-708, DOC-709, DOC-710,
60.DOC-921.
61.AMB-119, p. 3-5.
62.G-037-01, p. 2, G-035-01, p. 2 en bijlagen bij G-020-01: digitale pagina 3501 t/m 3508, 3510 t/m 3513 en 3515, DOC-868, p. 123.
63.Bijvoorbeeld G-005-01, p. 3, G-035-01, p. 2.
64.V-07-01, p. 5, G-037-01, p. 3, G-035-01, p. 2
65.DOC-916, DOC-917, DOC-920.
66.DOC-487, V-14-03, p. 10.
67.Bijvoorbeeld DOC-116.
68.Bijvoorbeeld bijlage bij G-020-01: digitale pagina 3522 en bijlage bij AG-005, digitale pagina 592 en 593.
69.G-026-01, p. 2, G-09-01, p. 4.
70.AG-005, p. 3 en 4, G-011–01, p. 2, G-023-01, p. 2, G-032-01, p. 3, G- 017 -01, p. 2, G-019-01, p. 2, G-020-01, p. 2, G-026-01, p. 2, G-035-01, p. 2, G-037, p. 2
71.G-013-01, p. 3, G-025-01, p. 2, G-028-01, p. 2, G- 034 -01, p. 2, G-027-01, p. 2, G-033-01, p. 2
72.G-011–01, p. 2, G- 017 -01, p. 2, G-019-01, p. 2, G-020-01, p. 2, G-026-01, p. 2
73.G-016-01, p 2, G-019-01, p. 2, G-020-01, p. 2, G-033-01, p. 2, G-035-01, p. 3
74.AG-005, p. 4, G-025-01, p. 2, G-030-01, p. 2
75.G-025-01, p. 2
76.G-032-01, p. 3.
77.G-028-01, P. 2.
78.G-016-01, p. 3.
79.G- 017 -01, p. 2.
80.G-026-01, p. 2.
81.Bijvoorbeeld G-030-01 p. 2, G-013-01, p. 3, G-025-01, p. 2, G-027-01, p. 2 en 3, G-035-01, p. 3, G-037-01, p. 2, G-033-01, p. 2 en 3.
82.G-016-01, p. 4.
83.G-023-01, p. 2.
84.G-025-01, p. 2.
85.G-030-01, p. 3.
86.G-026-01, p. 2.
87.G-027-01 p. 2, G-035-01 p. 3, G-037-01, p. 2.
88.G-026-01, p. 3.
89.G-027-01, p. 2.
90.G-016-01, p. 2.
91.G- 017 -01, p. 2.
92.G-019-01, p. 3.
93.G-030-01, P. 4.
94.G-026-01, p. 2.
95.AG-005, p. 4.
96.G-028-01, p. 2.
97.G-035-01, p. 3.
98.G-037-01, p. 3.
99.G- 017 -01, p. 2, G-020-01, p. 2, G-026-01 p. 3, G-028-01, p. 2.
100.G-019-01, p. 3.
101.G- 017 -01, p. 2
102.G-030-01, p. 2
103.G-023-01, p. 3, G-028-01, p. 3, G-032-01 p. 3, G- 034 -01, p. 2, G-016-01, p. 3, G-019-01, p. 3,
104.G-013-01, p. 3, G-025-01, p. 2, G-032-01 p. 2, G- 034 -01, p. 2, G-023-01, p. 3, G-028-10, p. 2
105.Bijlage bij V-30-02.
106.DOC-920, p. 2 en DOC-917, p. 1.
107.DOC-660, p. 2-4.
108.DOC-870, p. 1.
109.DOC-692, p. 1 (vertaling in DOC- 691 , p. 1).
110.DOC-660, p. 2.
111.DOC-660, p. 3.
112.DOC-660, p. 3.
113.DOC-660, p. 3-4.
114.DOC-660, p. 12.
115.DOC-660 p. 8.
116.DOC-487.
117.Proces-verbaal getuigenverhoor bij de rechter-commissaris van [medeverdachte 1] d.d. 29 november 2023, p. 9.
118.DOC-1528, p. 1-4.
119.AMB-011A, p. 2.
120.AMB-112, p. 14 en 15.
121.DOC-660, p. 5-6, 16.
122.DOC-660, p. 16.
123.www.lbma.org.uk/publications/the-otc-guide/conversion-table.
124.V-30-01, p. 4 .
125.AMB-116a.
126.DOC-543A, p. 7.
127.DOC-660, p. 15.
128.DOC-660, p. 4-5.
129.V-30-02, p. 5 en V-30-01, p. 11.
130.V- 017 -01, p. 2-3 en 4-5.
131.DOC-559, p. 6-17 en DOC-903 en DOC-904.
132.V- 017 -01, p. 3, AMB-144, p. 9.
133.V-30-01, p. 11-12.
134.V-30-01, p. 8.
135.V- 017 -1, p. 3.
136.DOC-559, p. 17.
137.DOC-903 en DOC-904.
138.DOC- 017 .
139.DOC-009.
140.DOC-011.
141.AMB-015.
142.AMB-007, p. 5-6.
143.AMB-007 p. 2 en AMB-103, p. 4.
144.AMB-103, p. 5.
145.AMB-016, p. 11 en AMB-103, p. 6-7.
146.AMB-016, p. 4 en AMB-103, p. 9.
147.DOC-973, AMB-165, DOC-1534
148.DOC-511, AMB-103, p. 11.
149.DOC-452.
150.G-001-01, p. 4.
151.AMB-111.
152.AMB-102, p. 12.
153.V- 017 -01, p. 4, V-014-03, p. 4.
154.AMB-102, p. 4-5.
155.V-030-02.
156.AMB-160, p. 4.
157.AMB-160, p. 3, DOC-1000, DOC-856.
158.DOC-660, p. 18.
159.V-30-01, p. 9.
160.V-014-03
161.V-08-03, p. 6-7.
162.V- 017 -03, p. 3, V-014-03, p. 8.
163.DOC-705, p. 55
164.Bijvoorbeeld DOC-491, p. 8 en 14.
165.V- 017 -01, p. 5 en 6, V- 017 -02, p. 6.
166.V- 017 -02, p. 6.
167.V- 017 -01, p. 7.
168.G-001-01, p. 2 en 3.
169.G-002-01, p. 4-5, G-001-1, p. 4.
170.G-001-01, p. 4 en V- 017 -02, p. 6-7.
171.V-30-2, p. 10 en V- 017 -02, p. 6.
172.G-001-01, p. 4.
173.AMB-144, p. 12-14.
174.Proces-verbaal getuigenverhoor bij de rechter-commissaris van [naam advocaat] d.d. 5 juni 2023, p. 7-8.
175.DOC-870A, p. 3.
176.DOC-871A.
177.DOC-872A.
178.DOC-452, p. 18, G-002-01, p. 5
179.AMB-139, p. 4, DOC-856.
180.DOC-192, p. 1.
181.DOC-580 vertaling, p. 1 en 2.
182.DOC-580 vertaling, p. 3.
183.DOC-580 vertaling, p. 9.
184.DOC-580 vertaling, p. 14 en 17.
185.ZPV-2, p. 40, DOC-966.
186.DOC-697, DOC-698, DOC-701.
187.DOC-859.
188.V-01-02, p. 3.
189.DOC-860, p. 2.
190.AMB-139, p. 4, DOC-856 (p. 24 totaalbedrag).
191.AMB-139, p. 8.
192.AMB-139, p. 4.
193.AMB-160, p. 4.
194.DOC-511A, AMB-11, p. 9.
195.P-PV-2, p. 29.
196.P-PV-1, p. 37.
197.P-PV-4, p. 12.
198.P-PV-8, p. 21.
199.ECLI:NL:HR:2016:2889, r.o. 2.3.1.
200.ECLI:NL:HR:2019:1878, r.o. 2.4.2.
201.Hoge Raad 30 juni 2020,
202.ECLI:NL:GHSHE:2025:397, r.o. 7 en 10.3.
203.V-08-02, p. 5.