Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6495

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
13/064082-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 OLWArt. 12 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 27 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding en overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel met beoordeling detentieomstandigheden in Frankrijk

De rechtbank Amsterdam behandelt een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Franse autoriteiten voor de overlevering van een persoon met een progressieve neurologische aandoening die intensieve zorg nodig heeft.

Tijdens de procedure is gebleken dat de detentieomstandigheden in de Franse penitentiaire inrichting waar de opgeëiste persoon waarschijnlijk zal worden geplaatst, niet voldoende duidelijk zijn. De Franse autoriteiten gaven aan dat de persoon in een cel voor personen met beperkte mobiliteit zou worden geplaatst, maar de overbevolking en de benodigde intensieve medische zorg roepen vragen op.

De raadsman betoogt dat de overbevolking en het gebrek aan passende zorg een schending van grondrechten opleveren, terwijl het openbaar ministerie stelt dat het algemene reële gevaar niet is weggenomen maar dat medische verklaringen niet relevant zijn voor de beoordeling van artikel 11 OLW Pro.

De rechtbank concludeert dat het algemene gevaar van overbevolking niet zonder meer op de opgeëiste persoon van toepassing is vanwege zijn specifieke medische situatie en dat alleen een speciale medische zorgafdeling of penitentiair ziekenhuis aan zijn zorgbehoefte kan voldoen.

Daarom wordt de zaak aangehouden om aanvullende vragen aan de Franse autoriteiten te stellen over de detentieplaats en zorg, met verlenging van de beslistermijn en geschorste gevangenhouding.

Uitkomst: De behandeling van het Europees aanhoudingsbevel wordt aangehouden wegens onvoldoende informatie over de detentieomstandigheden en medische zorg, met verlenging van de beslistermijn en geschorste gevangenhouding.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/064082-26
Datum uitspraak: 24 juni 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 13 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 11 april 2019 door de
Procureur de la République près le Tribunal de Grande Instance de Bordeaux, Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1960 in [geboorteplaats] (Kaapverdië),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 29 april 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 29 april 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak van 13 mei 2026 [3]
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de door de rechtbank geformuleerde vragen ten behoeve van de toetsing aan artikel 11 OLW Pro voor te leggen.
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW opnieuw met 30 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting van 10 juni 2026
De voortzetting van de behandeling van het EAB heeft – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling plaatsgevonden op de zitting van 10 juni 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 13 mei 2026

In de tussenuitspraak van 13 mei 2026 heeft de rechtbank reeds geoordeeld over onder meer de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro (onder 4), de strafbaarheid van het feit (onder 5) en de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (onder 6).
Deze overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW Pro: Franse detentieomstandigheden

Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 7 van de tussenuitspraak van 13 mei 2026. Deze overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
Naar aanleiding van vragen van het openbaar ministerie van 20 maart 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van 22 mei 2026 aanvankelijk aangegeven dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zou worden gedetineerd in de
Mont-de-Marsan Penitentiary Centre, met onder meer informatie over het overbevolkingspercentage aldaar en over de oppervlakte van de cellen.
Vervolgens heeft het openbaar ministerie op 26 mei 2026 opnieuw aanvullende vragen gesteld, waarbij is vermeld dat de opgeëiste persoon gebruik maakt van een rolstoel. Naar aanleiding hiervan heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit in een brief van 4 juni 2026 het volgende vermeld:
"
In view of Mr [de opgeëiste persoon]’s medical situation, the public prosecutor’s office in Bordeaux is in a position to indicate that he would be posted to the Agen remand centre, which has a cell available for the reception of persons with reduced mobility. The Agen remand centre is for male and female prisoners. As of 28 May 2026, it has 51 cells dedicated to adults for 143 operational places.
For male prisoners, it has:- 2 cells with a surface area of 7 to 8 sq. m. with a theoretical capacity of 1 seat,- 7 cells with a surface area of 8 to 9 sq. m. with a theoretical capacity of 1 seat,- 4 cells with a surface area of 14 to 19 sq. m. with a theoretical capacity of 3 seats,- 8 cells with a surface area of 19 to 24 sq. m. with a theoretical capacity of 4 seats,- 6 cells with a surface area of 24 to 29 sq. m. with a theoretical capacity of 5 seats,- 2 cells with a surface area of 29 to 34 sq. m. with a theoretical capacity of 6 seats,- 2 cells with a surface area of 34 to 39 sq. m. with a theoretical capacity of 7 seats,- 1 cell with a surface area of 7 to 8 sq. m. with a capacity of 1 seat and 4 cells with a surface area of 8 to 9 sq.m. with a capacity of 1 seat for the reception of arrivals,- 2 cells with a surface area of 7 to 8 sq. m. fitted out to accommodate a detainee with reduced mobility.
As of 28 May 2026, the Agen remand centre has an overall occupancy rate of 172 %, meaning that detainees are assigned to cells beyond their theoretical capabilities. Thus, following his surrender, Mr [de opgeëiste persoon] would be placed in a cell fitted out to accommodate a person with reduced mobility, but which he would share as much as possible with another valid person. However, the assignment of Mr [de opgeëiste persoon] to a cell fitted out to accommodate a person with reduced mobility is subject to the production of a medical certificate."
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat geen gevolg moet worden gegeven aan het overleveringsverzoek en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De bezettingsgraad in de detentie-instelling in Agen is nog hoger dan die in Mont-de-Marsan, waarvoor de Franse autoriteiten eerder een garantie gaven. Het is onduidelijk over hoeveel persoonlijke leefruimte de opgeëiste persoon zal beschikken. Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat het onderzoek moet worden aangehouden om nadere vragen te stellen aan de Franse autoriteiten over de beschikbaarheid van passende zorg die nodig is gelet op de specifieke medische situatie van de opgeëiste persoon. Ter onderbouwing legt de raadsman een medische verklaring van zijn longarts (somnoloog) van 12 mei 2026 over, waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon 24 uur per dag zorg en bijstand nodig heeft in verband met een progressieve neurologische aandoening.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt de rechtbank om de behandeling van de zaak aan te houden, omdat het vastgestelde algemene reële gevaar met de aanvullende informatie niet wordt weggenomen. Er moeten nadere vragen worden gesteld ten aanzien de leefruimte waarover de opgeëiste persoon in detentie zal beschikken. De officier van justitie stelt zich daarnaast op het standpunt dat de door de raadsman overgelegde medische verklaring niet kan worden meegenomen in de beoordeling van de detentieomstandigheden. Hoewel de medische verklaring mogelijk onderbouwt dat er een beletsel voor de feitelijke overlevering bestaat, kan deze informatie nu niet in het kader van een beoordeling van artikel 11 OLW Pro aan de orde komen. Het algemene reële gevaar is vastgesteld in verband met de overbevolking in Franse detentie-instellingen en ziet niet op de medische zorg, zoals de rechtbank heeft geoordeeld in de tussenuitspraak van 13 mei 2026. Er dient uit te worden gegaan van het vertrouwensbeginsel. De raadsman heeft niet onderbouwd waarom de vereiste medische zorg niet zou kunnen worden geboden aan de opgeëiste persoon.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt allereerst dat zij gelet op het arrest
Generalstaatsanwaltschaft (Detentieomstandigheden in Hongarije)van het HvJ EU – ook wel het arrest
MLgenoemd – uitsluitend de detentieomstandigheden dient te onderzoeken in de penitentiaire inrichting(en) waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis. [4]
Uit de aanvullende informatie van 4 juni 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering waarschijnlijk zal worden gedetineerd in het
Agen remand centre.De rechtbank hoeft dan ook alleen voor deze detentie-instelling de detentieomstandigheden te onderzoeken. Vervolgens moet worden beoordeeld of de verstrekte aanvullende informatie van 22 mei en 4 juni 2026 het vastgestelde algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt.
Voordat zij echter toekomt aan deze beoordeling, ziet de rechtbank aanleiding om het volgende te overwegen met betrekking tot de vraag of het eerder aangenomen algemene reële gevaar wel van toepassing is op de situatie van de opgeëiste persoon.
Zoals de rechtbank in de tussenuitspraak van 13 mei 2026 heeft overwogen, ziet het vastgestelde algemene gevaar in de Huizen van Bewaring in Frankrijk op het structurele probleem van overbevolking, waardoor er een reëel risico bestaat dat gedetineerden worden geplaatst in een meerpersoonscel met een persoonlijke leefruimte van minder dan 3 m² exclusief sanitaire voorzieningen. Het betreft dus de reguliere afdelingen van de Huizen van Bewaring. Het vastgestelde algemene gevaar ziet niet op een gebrek aan de beschikbaarheid van afdoende medische zorg. De rechtbank acht het, gelet op de door de raadsman overgelegde medische verklaring, echter onwaarschijnlijk dat de opgeëiste persoon na de overlevering in het reguliere detentieregime kan worden geplaatst. De door de raadsman overgelegde verklaring van een medisch deskundige beschrijft en verduidelijkt de actuele intensieve zorgbehoefte van de opgeëiste persoon als gevolg van
“een immuun-gemedieerd/neurodegeneratieve aandoening”. De opgeëiste persoon heeft 24 uur per dag intensieve zorg nodig van bevoegde en bekwame zorgverleners, omdat hij zich zonder een trippelstoel niet zelfstandig kan verplaatsen, niet zelfstandig kan eten en drinken en ’s nachts beademing nodig heeft. Omdat hij in verband met uitval van zijn handfunctie zelf geen beademingshandelingen kan verrichten, is hij hiervoor volledig afhankelijk van de zorg van derden die kunnen handelen in acute situaties. Niet handelen bij calamiteiten, zoals het losschieten van de slang van het beademingsapparaat of het aspireren van braaksel, kan fataal zijn, volgens de longarts. De rechtbank betwijfelt dan ook of de opgeëiste persoon in de praktijk in een “
cell fitted out to accommodate a person with reduced mobility”kan worden geplaatst
,zoals de Franse autoriteiten garanderen in de aanvullende informatie van 4 juni 2026, er vanuit gaande dat in een dergelijke cel niet de hiervoor omschreven intensieve medische zorg wordt verleend. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet onwaarschijnlijk dat de intensieve zorg die de opgeëiste persoon behoeft enkel op een speciale medische zorgafdeling in een detentie-instelling of in een penitentiair ziekenhuis kan worden geboden.
In het geval dat de opgeëiste persoon in verband met zijn medische problematiek na de overlevering niet in het reguliere detentieregime wordt geplaatst, maar bijvoorbeeld in een penitentiair ziekenhuis, is het voornoemde algemene gevaar namelijk niet op hem van toepassing. De rechtbank beschikt derhalve niet over afdoende informatie om te beoordelen of het aangenomen algemene gevaar op schending van grondrechten in Franse Huizen van Bewaring voor mannen op de opgeëiste persoon van toepassing is. De rechtbank acht het dan ook van belang om de medische situatie van de opgeëiste persoon voor te leggen aan de Franse autoriteiten.
De rechtbank houdt de behandeling van de zaak aan om het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen een vertaling van de voorgaande overwegingen van de rechtbank aan de Franse autoriteiten toe te zenden en hen naar aanleiding daarvan de volgende vraag te stellen:
Zal de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid worden gedetineerd in het reguliere detentieregime in “
a cell fitted out to accommodate a person with reduced mobility”, zoals op 1 juni 2026 werd gegarandeerd, of zal hij in verband met zijn hiervoor geschetste intensieve zorgbehoefte, aangenomen dat deze na overlevering dienovereenkomstig wordt vastgesteld door Franse artsen, op een speciale medische zorgafdeling van de detentie-instelling of in een penitentiair ziekenhuis worden geplaatst?
De rechtbank verlengt de beslistermijn op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met dertig dagen aflopende op 30 juli 2026, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

5.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd om het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen om een vertaling van de overwegingen van de rechtbank onder 4. aan de Franse autoriteiten toe te zenden en hen de daarin geformuleerde vraag voor te leggen.
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met dertig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALTdat de zaak uiterlijk twee weken voor afloop van de beslistermijn (op 30 juli 2026) weer op zitting wordt gepland.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. L. Baroud en A.B.M. Wijnveldt, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
4.HvJ EU 25 juli 2018, C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589 (