Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6385

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
13-248279-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieKaderbesluit 2002/584/JBZArt. 6 VWEUArt. 267 VWEUArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Prejudiciële vraag over effectieve rechterlijke bescherming bij Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door openbaar aanklager

De rechtbank Amsterdam behandelt een zaak over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Griekse openbaar aanklager, gericht op strafvervolging en tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen tegen een Griekse onderdaan die in Nederland gedetineerd is.

De rechtbank heeft vastgesteld dat in Griekenland de beslissing van de openbaar aanklager tot uitvaardiging van het EAB niet voorafgaand aan overlevering door een rechter kan worden getoetst, terwijl het nationale aanhoudingsbevel wel door een rechter is uitgevaardigd zonder toetsing van de voorwaarden voor het EAB. Dit roept twijfel op over de effectieve rechterlijke bescherming van de opgeëiste persoon.

De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en concludeert dat het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming inhoudt dat het EAB of de onderliggende rechterlijke beslissing voorafgaand aan overlevering aan een rechter moet kunnen worden voorgelegd. De rechtbank legt daarom een prejudiciële vraag voor aan het Hof van Justitie over de uitleg van artikel 8, lid 1, onder c), van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ in samenhang met artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU.

De rechtbank verzoekt om een spoedprocedure vanwege de detentie van de opgeëiste persoon en schorst het onderzoek in afwachting van het antwoord van het Hof. Tevens verlengt zij de termijn voor uitspraak en de overleveringsdetentie met 60 dagen.

Uitkomst: De rechtbank stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de vereisten van effectieve rechterlijke bescherming bij een Europees aanhoudingsbevel en schorst het onderzoek in afwachting van het antwoord.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-248279-25
Datum uitspraak: 6 mei 2026
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering van 30 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 april 2025 door
the Prosecutor's Office of the Appeal Court of
Thessaloniki,Griekenland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1960 te [geboorteplaats] (Griekenland)
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres]
nu gedetineerd in Penitentiaire Inrichting [Penitentiaire Inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

1.1
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden – in aanwezigheid van partijen – op de zittingen van 24 december 2025 en 10 maart 2026. [1] Het openbaar ministerie is vertegenwoordigd door mr. A. Keulers. De opgeëiste persoon is bijgestaan door mr. B.J. Korver (zitting van 24 december 2025) en mr. N. Stegerhoek (zitting van 10 maart 2026), beiden advocaat in Amsterdam en beiden waarnemend voor mr. M.L. van Gessel, eveneens advocaat in Amsterdam. Bij tussenuitspraak van 24 maart 2026 heeft de rechtbank besloten om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) en heeft om die reden het onderzoek heropend en geschorst voor bepaalde tijd tot 29 april 2026.
1.2
De rechtbank heeft een prejudiciële vraag in concept aan partijen voorgelegd. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hun standpunten over de concept-prejudiciële vraag schriftelijk aan de rechtbank mee te delen, van welke gelegenheid zij gebruik hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennisgenomen van de standpunten.
1.3
Op 29 april 2026 heeft de rechtbank, met toestemming van partijen, het onderzoek enkelvoudig gesloten en bepaald dat op 6 mei 2026 uitspraak wordt gedaan.

2.Heropening van het onderzoek voor het stellen van prejudiciële vragen

2.1
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
2.1.1.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).
Artikel 47 Handvest Pro luidt als volgt:
Artikel 47
Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht
Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.
Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.
Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.
2.1.2
Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten,
PbEG2002, L 190/1, zoals gewijzigd bij Kaderbesluit 2009/299/JBZ,
PbEU2009, L 81/24.
De artikelen 1, derde lid, en 8, eerste lid, onder c), van Kaderbesluit 2002/584/JBZ luiden als volgt:
Artikel 1
Verplichting tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel
(...)
3. Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 van Pro het Verdrag betreffende de Europese Unie, wordt aangetast.
Artikel 8
Inhoud en vorm van het Europees aanhoudingsbevel
1. In het Europees aanhoudingsbevel worden overeenkomstig het als bijlage bij dit kaderbesluit gevoegde model de navolgende gegevens vermeld:
(...)
c) de vermelding dat een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, een aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing bestaat, zoals bedoeld in de artikelen 1 en 2;
(...)
Nationaal recht
2.1.3
De Wet van 29 april 2004 tot implementatie van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (Overleveringswet), Stb. 2004, 195, zoals nadien gewijzigd, strekt tot uitvoering van Kaderbesluit 2002/584/JBZ.
De artikelen 2, tweede lid, onder c, en 28, tweede lid luiden als volgt:
Artikel 2
(...)
2. Een Europees aanhoudingsbevel wordt volgens het in bijlage 2 bij deze wet opgenomen model opgemaakt en dient in elk geval de volgende gegevens te bevatten:
(...)
c. de vermelding dat een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, een aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing bestaat;
(...)
Artikel 28
(...)
2. Bevindt de rechtbank, hetzij dat het Europees aanhoudingsbevel niet voldoet aan de vereisten van artikel 2, hetzij dat de overlevering niet kan worden toegestaan, dan weigert zij bij haar uitspraak de overlevering.
(...)
2.2.
Feiten en omstandigheden
2.2.1
De Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam moet beslissen over de tenuitvoerlegging van een Grieks EAB. De opgeëiste persoon is een Griekse onderdaan die op dit moment staat ingeschreven als inwoner van Nederland in de Nederlandse Basisregistratie Personen. Hij bevindt zich in overleveringsdetentie op grond van dat EAB.
2.2.2
Het EAB is op 29 april 2025 uitgevaardigd door
the Prosecutor's Office of the Appeal Court of Thessaloniki(Griekenland) en strekt tot overlevering ter fine van:
- strafvervolging van de opgeëiste persoon voor:

1) Domestic bodily harm (with deliberate infliction of severe physical pain and subsequent serious physical harm) committed persistently and 2) Bodily injury (with deliberate infliction of severe physical pain)”.
De opgeëiste persoon zou deze feiten hebben gepleegd tegen zijn echtgenote in 2015 in Griekenland. Op feit 1 is naar Grieks recht een maximale vrijheidsstraf van tien jaren gesteld en op feit 2 is naar Grieks recht een maximale vrijheidsstraf van twee jaren gesteld.
- de tenuitvoerlegging van vier vrijheidsstraffen voor de duur van respectievelijk vijf jaren, twee jaren, een jaar en vier maanden.
2.2.3
Voor zover het EAB strekt tot strafvervolging, ligt daaraan ten grondslag een “
Arrest Warrant no. 15/29-05-2018 issued by the Examining Magistrate of the First Instance Court of Katerini, as filled out by the Order no. 192/22-10-2018 of the Examining Magistrate and kept in force under the decree no. 26/2019 of the Misdemeanours Council of Katerini”.
2.2.4
Deze zaak is vergelijkbaar met de zaak waarin de rechtbank al prejudiciële vragen heeft gesteld over het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming tegen de beslissing van een Griekse openbaar aanklager tot uitvaardiging van een EAB dat tot strafvervolging strekt (C-722/25 (
Wertergen)), met dien verstande dat in onderhavige zaak het EAB
ooktot tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen strekt.
2.2.5
De rechtbank heeft bij haar tussenuitspraak van 24 maart jl. geoordeeld dat voor drie van de vier veroordelingen die ten grondslag liggen aan het EAB de overlevering moet worden geweigerd, maar ziet vooralsnog geen aanleiding voor het integraal weigeren van de overlevering van de opgeëiste persoon, afgezien van de kwestie of de beslissing van de Griekse openbaar aanklager om een EAB uit te vaardigen, voor zover dat strekt tot strafvervolging, het voorwerp kan uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de voorwaarden die inherent zijn aan een effectieve rechterlijke bescherming.
2.2.6
Om te kunnen vaststellen of aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming is voldaan, heeft de rechtbank de volgende vragen laten voorleggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
“(…)
3) zijn ten tijde van de uitvaardiging van het nationaal aanhoudingsbevel, dan wel op een later moment (ook) de noodzakelijke voorwaarden voor de uitvaardiging van het vervolgingsgedeelte van dit EAB, en met name de evenredigheid ervan, getoetst door een rechter in de uitvaardigende lidstaat?
4) zo nee, is er een mogelijkheid om de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB, voor zover dat ziet op het vervolgingsgedeelte, door een rechter in de uitvaardigende lidstaat te laten toetsen vóórdat de feitelijke overlevering van de opgeëiste persoon naar Griekenland plaatsvindt?
(…)”.
2.2.7
Bij brief van 21 januari 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit het volgende antwoord gegeven:
“(…)
3.,4. The legal agent authorised to issue a European Arrest Warrant is the Public Prosecutor of the Appeal Court, who rules whether the conditions for the issuance thereof are met, having regard to the principle of proportionality.
The Greek judge (examining officer) assesses whether the conditions for the issuance of the national arrest (instrument) warrant are met having regard to the principle of proportionality.
The principle of proportionality is a generally accepted and constitutionally consolidated principle, which applies to all stages of criminal proceedings and was taken into consideration in this specific case, both, at the time of issuance of the arrest warrant of the Examining Officer and for the issuance of the European Arrest Warrant.
(…)
2.3
Prejudiciële vraag
2.3.1
Nu de onderhavige zaak vergelijkbaar is met de zaak
Wertergen(zaak C-722/25) – afgezien van de omstandigheid dat het onderhavige EAB, anders dan in de zaak
Wertergen, ook strekt tot de tenuitvoerlegging van straffen – zal de rechtbank ter onderbouwing van de prejudiciële vraag volstaan met een herhaling van de overwegingen 2.3.1-2.3.14 van de verwijzingsbeslissing in die zaak. [2]
“2.3.1 In het arrest
Svishtov Regional Prosecutor’s Officeheeft het Hof van Justitie – nadat het zijn eerdere rechtspraak had uiteengezet over de twee niveaus van bescherming van rechten die de opgeëiste persoon tegen wie een EAB met het oog op vervolging is uitgevaardigd, moet genieten – het volgende overwogen:
“47 Zoals de advocaat-generaal in punt 61 van zijn conclusie heeft opgemerkt, volgt uit deze rechtspraak van het Hof dat een persoon tegen wie met het oog op strafvervolging een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, vóór zijn overlevering aan de uitvaardigende lidstaat een effectieve rechterlijke bescherming moet kunnen genieten op ten minste één van de twee in die rechtspraak vereiste beschermingsniveaus.
48 Een dergelijke bescherming veronderstelt dus dat hetzij het Europees aanhoudingsbevel, hetzij de rechterlijke beslissing waarop dat bevel is gebaseerd, kan worden onderworpen aan rechterlijke toetsing, voordat het bevel ten uitvoer wordt gelegd”. [3]
2.3.2
De rechtbank concludeert op grond van de informatie die de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft verstrekt allereerst dat in de uitvaardigende lidstaat de beslissing van een openbaar aanklager tot uitvaardiging van een EAB met het oog op strafvervolging niet vatbaar is voor een afzonderlijke toets door een rechter vóór de overlevering. Dit strookt met hetgeen de rechtbank op basis van informatie van de Griekse autoriteiten in eerdere, vergelijkbare zaken heeft geconcludeerd (zie rechtsoverwegingen 3.3 en 3.4 van de in overweging 2.3.7 aangehaalde uitspraak).
2.3.3
Uit de informatie die de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft verstrekt en uit de vertaling van het nationale aanhoudingsbevel kan de rechtbank niet afleiden dat de rechter in de uitvaardigende lidstaat bij de uitvaardiging van het nationale aanhoudingsbevel de noodzakelijke voorwaarden voor de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel met het oog op strafvervolging, en met name de evenredigheid ervan, heeft getoetst of kan toetsen. De omstandigheid dat de feiten waarvan de opgeëiste persoon in Griekenland wordt verdacht, gelet op de aard daarvan en op de strafbedreiging, ernstige strafbare feiten opleveren, dat de opgeëiste persoon een andere dan de Griekse nationaliteit heeft en dat hij (wellicht) buiten Griekenland woont, doet niet af aan deze conclusie.
Evenmin kan de rechtbank uit de verstrekte informatie en uit de vertaling afleiden dat de beslissing tot uitvaardiging van een nationaal aanhoudingsbevel vóór de overlevering vatbaar is voor een dergelijke, door een rechter aan te leggen toets. Ook deze conclusie komt overeen met hetgeen de rechtbank in eerdere, vergelijkbare zaken heeft geconcludeerd (zie rechtsoverwegingen 3.3 en 3.4 van de in overweging 2.3.7 aangehaalde uitspraak).
2.3.4
Een en ander roept dus twijfel op of de opgeëiste persoon vóór zijn overlevering aan de uitvaardigende lidstaat een effectieve rechterlijke bescherming kan genieten, hetzij op het niveau van het EAB, hetzij op het niveau van de nationale rechterlijke beslissing waarop het EAB is gebaseerd.
2.3.5
De stelling van de uitvaardigende justitiële autoriteit dat het arrest
Svishtov Regional Prosecutor’s Officeop een andere situatie ziet dan aan de orde is in de onderhavige zaak, is op zichzelf juist. In de zaak die ten grondslag ligt aan dat arrest had een openbaar aanklager zowel het nationale aanhoudingsbevel als het EAB uitgevaardigd. In de onderhavige zaak heeft een openbaar aanklager het EAB uitgevaardigd, maar heeft een rechter het nationale aanhoudingbevel uitgevaardigd.
2.3.6
De rechtbank is er echter niet van overtuigd dat uit dit verschil volgt dat in de onderhavige zaak het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming vóór de overlevering op één van de twee beschermingsniveaus niet van toepassing zou zijn. Het Hof van Justitie heeft dat vereiste immers afgeleid uit zijn eerdere rechtspraak over die twee beschermingsniveaus, en met name uit het arrest
OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau). Bij de uiteenzetting van die eerdere rechtspraak – in de punten 43-47 van het arrest
Svishtov Regional Prosecutor’s Office– verwijst het Hof van Justitie steeds naar
OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau). Evenals in het onderhavige geval, had in die zaak een openbaar aanklager het EAB uitgevaardigd, maar had een rechter het nationale aanhoudingsbevel uitgevaardigd. Het komt de rechtbank daarom onwaarschijnlijk voor dat het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming zoals geformuleerd in punt 48 het arrest
Svishtov Regional Prosecutor’s Officeniet zou gelden in een geval zoals het onderhavige.
2.3.7
In een eerdere, vergelijkbare Griekse zaak heeft de rechtbank – ondanks de vaststelling dat de voorwaarden voor het uitvaardigen van een EAB met het oog op vervolging, waaronder de evenredigheid daarvan, alleen door de uitvaardigende openbaar aanklager worden getoetst – toch geoordeeld dat aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming was voldaan. [4] Zij heeft daartoe het volgende overwogen (voetnoten weggelaten):
“3.1.
De rechtbank stelt vast dat het aan het EAB ten grondslag liggende arrestatiebevel weliswaar is afgegeven door een
examining magistrate(een onderzoeksrechter), maar dat het EAB zelf is uitgevaardigd door een
prosecutor(een officier van justitie). Dit doet de vraag rijzen of ten aanzien van het uitvaardigen van het EAB sprake is geweest van voldoende effectieve rechterlijke bescherming.
3.2.
Zoals onder 1 is opgenomen is de behandeling van de vordering op de openbare zitting van 4 oktober 2022 voor bepaalde tijd aangehouden voor het stellen van aanvullende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over onder andere de effectieve rechterlijke bescherming.
3.3.
De aanvullende vragen die door de rechtbank aan de uitvaardigende justitiële autoriteit zijn gesteld zagen op de vraag of de beslissing tot de uitvaardiging van het EAB en met name de evenredigheid daarvan op enig moment getoetst is door een rechter. Op 13 oktober 2022 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit geantwoord op deze vragen. Omdat de rechtbank constateerde dat in twee eerdere Griekse zaken op dezelfde vragen wisselende antwoorden waren ontvangen, heeft zij ambtshalve besloten de aanvullende vragen ook via Eurojust te laten beantwoorden
.De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vervolgens via Eurojust op 31 oktober 2022 als volgt geantwoord:
“The competent judicial body for the issuance of a European Arrest Warrant is the Public Prosecutor of Appeals, who judges whether the conditions for its issuance are met, taking also into account the principle of proportionality.
The Greek judge (investigator) assesses whether the conditions for the issuance of the national title (arrest warrant) are met, taking also into account the principle of proportionality.
This procedure is uniform for the whole country.”
3.4.
Op grond van deze aanvullende informatie stelt de rechtbank vast dat slechts de uitvaardiging van een nationaal aanhoudingsbevel (hierna: NAB) is onderworpen aan een rechterlijke toets. Deze rechterlijke toets vindt bij de uitvaardiging van een EAB niet plaats, waardoor de voorwaarden voor het uitvaardigen van een EAB, waaronder de evenredigheid daarvan, alleen door de officier van justitie worden getoetst. De voorliggende vraag is of aan dit gegeven consequenties verbonden dienen te worden en zo ja, welke.
(...)
3.7
De rechtbank oordeelt als volgt. De uitvaardiging van het EAB door een officier van justitie is in de onderhavige zaak niet problematisch in het licht van de Europese jurisprudentie en de daarin bepaalde vereisten. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie over het dubbele niveau van bescherming volgt
“dat een persoon tegen wie met het oog op strafvervolging een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, vóór zijn overlevering aan de uitvaardigende lidstaat een effectieve rechterlijke bescherming moet kunnen genieten op ten minste één van de twee in die rechtspraak vereiste beschermingsniveaus”. Aan deze voorwaarde is in het onderhavige geval voldaan. Het NAB is immers uitgevaardigd door een (onderzoeks)rechter.
3.8.
Nu de beslissing over de uitvaardiging van het EAB is genomen door een officier van justitie, moet die beslissing vervolgens wel
“het voorwerp kunnen uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming”.
3.9.
Nu er sprake is van een vervolgings-EAB zal de opgeëiste persoon na overlevering, maar voordat er eventueel een veroordeling volgt voor de feiten die aan het EAB ten grondslag liggen, zijn verdedigingsrechten kunnen uitoefenen. Dit betekent dat de opgeëiste persoon zich na zijn overlevering ter terechtzitting kan beroepen op de eventuele onrechtmatigheid van de beslissing tot uitvaardiging van het EAB en dat de betreffende zittingsrechter zich daarover zal buigen.
3.10.
Als deze lezing niet wordt gevolgd en ervan uit wordt gegaan dat het Griekse recht in geen enkele mogelijkheid voorziet om de rechtmatigheid van de uitvaardiging van het EAB bij de rechter te betwisten, dan geldt dat Griekenland op grond van artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) verplicht is om te voorzien in een daadwerkelijke voorziening in rechte ten aanzien van dit punt.
3.11.
Het Hof van Justitie heeft in dit verband het volgende geoordeeld:
“Wanneer het procesrecht van de uitvaardigende lidstaat niet voorziet in een afzonderlijke beroepsmogelijkheid om de voorwaarden voor de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel en de evenredigheid ervan te laten toetsen door een rechterlijke instantie, noch vóór of gelijktijdig met de vaststelling van dit aanhoudingsbevel noch erna, moet kaderbesluit 2002/584, gelezen tegen de achtergrond van het door artikel 47 van Pro het Handvest gewaarborgde recht op effectieve rechterlijke bescherming, bijgevolg aldus worden uitgelegd dat een rechter die later in de strafprocedure, ná de overlevering van de gezochte persoon, uitspraak moet doen, de voorwaarden voor de uitvaardiging van het aanhoudingsbevel incidenteel moet kunnen toetsen wanneer de geldigheid van dit bevel bij hem wordt betwist.
Dit is met name het geval in een situatie waarin bij de betrokken rechter een verzoekschrift wordt ingediend om de rechtmatigheid van de beslissing tot voorlopige inhechtenisneming van een persoon te betwisten, en daarbij incidenteel de regelmatigheid van de procedure tot uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel tegen die persoon en met name het bestaan van een „aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing” in de zin van artikel 8, lid 1, onder c), van kaderbesluit 2002/584 aan de orde worden gesteld, aangezien dat bevel het mogelijk heeft gemaakt om de betrokkene aan te houden en voor de rechter te brengen en om vervolgens een vrijheidsbenemende maatregel te nemen.”
3.12.
De rechtbank gaat er van uit dat de opgeëiste persoon na zijn eventuele overlevering zijn voorlopige hechtenis aldaar zal kunnen betwisten bij een rechter. Bij die rechter zal hij dan ook zijn eventuele bezwaren tegen de rechtmatigheid van de uitvaardiging van het EAB kunnen aanvoeren, nu deze rechter op grond van het Unierecht gehouden is om de rechtmatigheid van het EAB te toetsen. Op deze manier is voorzien in effectieve rechterlijke bescherming tegen de beslissing tot uitvaardiging van een EAB. Dat deze bescherming pas kan worden ingeroepen ná overlevering, is niet van belang, omdat op het niveau van de nationale beslissing al rechterlijke bescherming is geboden vóór de overlevering.
3.13.
Het voorgaande maakt dat de uitvaardiging van het EAB door een officier van justitie in dit geval niet problematisch is in het licht van de Europese jurisprudentie en de daarin bepaalde vereisten. Er is voldaan aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming. (...).”
2.3.8
Bij nader inzien betwijfelt de rechtbank of een dergelijke redenering houdbaar is, en wel in twee opzichten.
2.3.9
Ten eerste veronderstelt deze redenering dat, indien een EAB met het oog op vervolging is uitgevaardigd door een openbaar aanklager, voor wat betreft de bescherming op het niveau van de
nationalerechterlijke beslissing al is voldaan aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming, indien het nationale aanhoudingsbevel is uitgevaardigd door een rechter.
2.3.10
In het arrest
Svishtov Regional Prosecutor’s Officeheeft het Hof van Justitie overwogen dat de arresten
Parquet général du Grand-Duché de Luxembourg en Openbaar Ministerie (Openbaar aanklagers Lyon en Tours) [5] en
Openbaar Ministerie (Openbaar ministerie van Zweden) [6] niet afdoen aan zijn overweging dat een effectieve rechterlijke bescherming veronderstelt dat hetzij het EAB, hetzij de rechterlijke beslissing waarop dat bevel is gebaseerd, kan worden onderworpen aan rechterlijke toetsing, voordat het bevel ten uitvoer wordt gelegd. [7] Daartoe heeft het Hof van Justitie er niet alleen op gewezen dat in die arresten sprake was van het bestaan van bepalingen die de tussenkomst van een rechter garanderen vóór de overlevering, [8] maar ook dat het Hof van Justitie in die arresten rekening heeft gehouden “met het feit dat de voorwaarden voor uitvaardiging van een [EAB] door het openbaar ministerie vóór de overlevering van de gezochte persoon door de rechter konden worden getoetst, aangezien het [EAB] in de nationale wettelijke regelingen die in die zaken aan de orde waren, berustte op een nationaal aanhoudingsbevel dat was uitgevaardigd door een rechter,
die bovendien de noodzakelijke voorwaarden en met name de evenredigheid voor de uitvaardiging van een [EAB] beoordeelde” (cursivering toegevoegd). [9]
2.3.11
De rechtbank begrijpt deze overwegingen thans zo, dat de enkele omstandigheid dat een rechter het nationale aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd niet volstaat. Indien een openbaar aanklager het EAB heeft uitgevaardigd, moet de rechter bij de uitvaardiging van het nationale aanhoudingsbevel – en dus vóór de overlevering – de voorwaarden voor de uitvaardiging van een EAB en met name de evenredigheid ervan hebben kunnen toetsen.
2.3.12
Ten tweede veronderstelt de hiervoor in 2.3.7 aangehaalde redenering dat een rechterlijke toets van de voorwaarden voor de uitvaardiging van een EAB en met name de evenredigheid ervan die wordt uitgevoerd door een rechter in de uitvaardigende lidstaat maar pas
nadatde opgeëiste persoon aan die lidstaat is overgeleverd, zoals bedoeld in het arrest
MM, [10] voldoet aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming zoals geformuleerd in
Svishtov Regional Prosecutor’s Office.
2.3.13
In het arrest
Svishtov Regional Prosecutor’s Officeheeft het Hof van Justitie overwogen dat, anders dan in de zaken die ten grondslag liggen aan de arresten
Parquet général du Grand-Duché de Luxembourg en Openbaar Ministerie (Openbaar aanklagers Lyon en Tours)en
Openbaar Ministerie (Openbaar ministerie van Zweden):
“54 (...) in casu uit de verwijzingsbeslissing [blijkt] dat het Bulgaarse recht slechts voorziet in een rechterlijke toetsing a posteriori van de beslissing van de openbaar aanklager om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen, aangezien een dergelijke toetsing pas kan plaatsvinden na overlevering van de gezochte persoon.
55 [Zoals gerectificeerd bij beschikking van 13 april 2021] Wat betreft het feit dat de Bulgaarse regering in haar schriftelijke antwoord op vragen van het Hof heeft benadrukt dat de gezochte persoon na zijn overlevering ter tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel onmiddellijk wordt voorgeleid aan een rechter die onderzoekt of het nodig is om die persoon een vrijheidsbenemende of -beperkende maatregel op te leggen en daarmee ook toetst of het bevel evenredig is, zij opgemerkt dat deze praktijk evenwel niet kan garanderen dat het Bulgaarse procedurele stelsel overeenstemt met de vereisten op grond van kaderbesluit 2002/584.
56 [Zoals gerectificeerd bij beschikking van 13 april 2021] Zoals de advocaat-generaal in de punten 33 en 34 van zijn conclusie heeft aangegeven, moet namelijk worden benadrukt dat het Hof zich in het arrest van 13 januari 2021, MM (C414/20 PPU, EU:C:2021:4), niet rechtstreeks heeft uitgesproken over de vraag of de Bulgaarse procedure voor de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel door een openbaar aanklager tijdens de voorbereidende fase van de strafprocedure voldoet aan de vereisten die inherent zijn aan effectieve rechterlijke bescherming, maar alleen heeft overwogen dat, wanneer het recht van de uitvaardigende lidstaat niet in een afzonderlijke beroepsmogelijkheid voorziet, het Unierecht een nationale rechterlijke instantie van deze lidstaat de bevoegdheid verleent om de voorwaarden voor de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel incidenteel te toetsen. Uit dit arrest mag dus niet worden afgeleid dat het Hof zou hebben beslist dat indien een mogelijkheid van een dergelijke rechterlijke toetsing a posteriori bestaat, wordt voldaan aan de vereisten die inherent zijn aan een effectieve rechterlijke bescherming van de rechten van de gezochte persoon.
57 Indien pas na de overlevering van de gezochte persoon de mogelijkheid bestaat om de beslissing van een openbaar aanklager tot uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel rechterlijk te laten toetsen, wordt dus niet voldaan aan de verplichting die op de uitvaardigende lidstaat rust om procedureregels toe te passen die een bevoegde rechterlijke instantie in staat stellen om voorafgaand aan die overlevering de rechtmatigheid te toetsen van het nationaal aanhoudingsbevel of van de gelijkwaardige rechterlijke beslissing, die eveneens door een openbaar aanklager wordt vastgesteld, dan wel van dat Europees aanhoudingsbevel”. [11]
2.3.14
De rechtbank begrijpt deze overwegingen zo, dat de enkele mogelijkheid om
nade overlevering de rechtmatigheid van de beslissing van de openbaar aanklager om een EAB uit te vaardigen rechterlijk te laten toetsen niet meebrengt dat aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming is voldaan”.
2.3.2
De rechtbank zal daarom de volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie voorleggen:
Moet artikel 8, eerste lid, onder c), van Kaderbesluit 2002/584/JBZ, gelezen in het licht van artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zo worden uitgelegd, dat niet is voldaan aan de vereisten die inherent zijn aan de effectieve rechterlijke bescherming die een persoon tegen wie met het oog op strafvervolging – en daarnaast met het oog op de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen – een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, moet genieten, indien:
-
het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd door een openbaar aanklager – die kan worden aangemerkt als “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, eerste lid, van dat kaderbesluit maar –, wiens beslissing tot uitvaardiging van dat Europees aanhoudingsbevel niet vatbaar is voor rechterlijke toetsing in de uitvaardigende lidstaat vóór de overlevering van de gezochte persoon, terwijl
-
dat Europees aanhoudingsbevel – voor zover het ziet op strafvervolging –berust op een nationaal aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd door een rechter die bij de uitvaardiging van dat bevel niet de voorwaarden voor uitvaardiging van een EAB en met name de evenredigheid daarvan heeft getoetst en wiens beslissing niet vatbaar is voor een dergelijke rechterlijke toetsing in de uitvaardigende lidstaat vóór de overlevering van de gezochte persoon?

3.Verzoek toepassing spoedprocedure

3.1
De rechtbank verzoekt het Hof van Justitie deze prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de spoedprocedure zoals bedoeld in artikel 267, vierde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) en artikel 107 van Pro het Reglement voor de procesvoering.
3.2
De prejudiciële vraag heeft betrekking op een gebied als bedoeld in titel V van het derde deel van het VWEU. De opgeëiste persoon bevindt zich in overleveringsdetentie in afwachting van de beslissing over de overlevering. De rechtbank kan die beslissing echter niet nemen zonder het antwoord van het Hof van Justitie op de hiervoor geformuleerde vraag. Het spoedige antwoord van het Hof van Justitie op die vraag is dan ook rechtstreeks en doorslaggevend van invloed op de duur van de overleveringsdetentie van de betrokkene.

4.Slotsom

4.1
Het onderzoek ter zitting moet worden heropend om de prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie.
4.2
De rechtbank verlengt de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet op grond van artikel 22, vierde lid, onder a, OLW met 60 dagen onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

5.Beslissing

VERZOEKThet Hof van Justitie een antwoord te geven op de in overweging 2.3.2 weergegeven vraag.
HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd in afwachting van de uitspraak van het Hof van Justitie.
VERLENGTop grond van artikel 22, vierde lid, onder a, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met 60 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman.
Deze tussenuitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. dr. V.H. Glerum en mr. E.A. Harland, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 6 mei 2026.
De oudste rechter is buiten staat de tussenuitspraak te tekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie voor het procesverloop verder de tussenuitspraak van 24 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3157.
2.Rb Amsterdam 13 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10377.
3.HvJ EU 10 maart 2021, C-648/20 PPU, ECLI:EU:C:2021:187 (
4.Rb. Amsterdam 16 november 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6696.
5.HvJ EU 12 december 2019, gevoegde zaken C-566/19 & C-626/19 PPU, ECLI:EU:C :2019 :1077 (
6.HvJ EU 12 december 2019, C-625/19 PPU, ECLI:EU:C:2019:1078 (
7.HvJ EU 10 maart 2021, C-648/20 PPU, ECLI:EU:C:2021:187 (
8.HvJ EU 10 maart 2021, C-648/20 PPU, ECLI:EU:C:2021:187 (
9.HvJ EU 10 maart 2021, C-648/20 PPU, ECLI:EU:C:2021:187 (
10.HvJ EU 13 januari 2021, C-414/20 PPU, ECLI :EU:C:2021:4 (
11.HvJ EU 10 maart 2021, C-648/20 PPU, ECLI:EU:C:2021:187 (