AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toestemming overlevering Hongaarse veroordeelde ondanks bezwaren over detentie en verzetgarantie
De rechtbank Amsterdam behandelde op 4 juni 2026 het verzoek tot overlevering van een persoon aan Hongarije op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Eger District Court. De opgeëiste persoon werd verdacht van meerdere oplichtingsfeiten en is veroordeeld tot verschillende vrijheidsstraffen. De verdediging voerde aan dat het EAB onvolledig was en dat er onduidelijkheden bestonden over de verzetgarantie en detentieomstandigheden in Hongarije.
De rechtbank oordeelde dat het EAB voldoende concreet en genoegzaam was omschreven, waarbij de 131 strafbare feiten verband hielden met een groot aantal slachtoffers. De verzetgarantie voldeed aan de eisen van artikel 12 OLWPro, ondanks het ontbreken van een termijn voor het instellen van verzet, omdat een verplichte verzetprocedure geldt volgens de Hongaarse wetgeving. Ten aanzien van de detentieomstandigheden concludeerde de rechtbank dat er geen algemeen reëel gevaar is voor schending van grondrechten in Hongaarse gevangenissen, zodat geen detentiegarantie nodig was.
De rechtbank stelde vast dat geen weigeringsgronden aanwezig waren en dat het EAB voldeed aan de wettelijke vereisten. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Hongarije toe voor de opgelegde vrijheidsstraffen.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-108329-26
Datum uitspraak: 18 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 30 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 mei 2023 door the Criminal Sentence Enforcement Group of the Eger District Court, Hongarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
Geboren op [geboortedag] 1966 in [geboorteplaats] (Hongarije),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
feitelijk verblijfadres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1.Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 juni 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat te Utrecht, en door een tolk in de Hongaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Hongaarse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the Eger District Courtvan 7 januari 2020 met kenmerk 2.B.358/2019/7 dat onherroepelijk is geworden bij arrest van the Eger Court of Appealvan 27 april 2021 met kenmerk 2.Bf.74/2020/11. Bij het eerstgenoemde vonnis is naar aanleiding van de veroordeling bij dat vonnis tevens de tenuitvoerlegging van de volgende beslissingen bevolen:
1. een vonnis van the Burdaörs City Courtvan 19 januari 2011 met kenmerk 4.B.322/2009/36;
2. een vonnis van the Mezökövesd District Court van 13 december 2012 met kenmerk 5.B.213/2011/145 en het arrest van the Miskoic Court of Appealvan 12 juni 2013 met kenmerk 7.Bf.371/2013/8.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van drie vrijheidsstraffen voor de duur van respectievelijk één jaar, twee jaar en één jaar en tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde beslissingen.
Deze beslissingen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om nadere informatie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot artikel 12 OLWPro. Ten aanzien van het arrest van the Eger Court of Appealmoet een ondubbelzinnige verzetgarantie worden opgevraagd. De verzetgarantie in het EAB is niet onvoorwaardelijk, omdat geen termijn is aangegeven waarbinnen verzet kan worden aangetekend. Ten aanzien van het arrest van the Miskoic Court of Appealmoeten de antwoorden van de op 26 mei 2026 door het IRC gestelde vragen worden afgewacht, omdat onduidelijk is waarom sectie 3.4 is aangekruist terwijl de opgeëiste persoon aanwezig was op zitting.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLWPro niet van toepassing is. Het arrest van the Eger Court of Appealvan 27 april 2021 is het triggerendearrest voor de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straffen. Uit de aanvullende informatie van 29 mei 2026 volgt dat de opgeëiste persoon bij de processen die hebben geleid tot het vonnis van the Burdaörs City Courtvan 19 januari 2011 en het arrest van the Miskoic Court of Appealvan 12 juni 2013, in persoon aanwezig is geweest.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het arrest vanthe Eger Court of Appealvan 27 april 2021 met kenmerk 2.Bf.74/2020/11:
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bisPro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLWPro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] Uit de aanvullende informatie van 22 mei 2026 volgt dat hiervan sprake is bij het arrest van the Eger Court of Appealvan 27 april 2021 met kenmerk 2.Bf.74/2020/11, zodat de rechtbank deze beslissing zal toetsen aan artikel 12 OLWPro.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat:
(i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
(ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
Het bij de aanvullende informatie van 22 mei 2026 gevoegde onderdeel d) van het EAB vermeldt ten aanzien van het arrest van the Eger Court of Appealvan 27 april 2021:
“the decisions have not been served on the person concerned personally, but
- the decision will be served on the data subject in person immediately after the transfer, and
- the person concerned is expressly informed, at the time of service of the decision, of his or her right to retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which allows the case to be re-examined on the merits, including new evidence, and which may lead to the alteration of the original decision, and
- The person concerned is informed of the deadline within which he or she may request a retrial or appeal.
Pursuant to Section 637 (1) (g) and (5) of Act XC of 2017 on Criminal Procedure, if the accused is available, the retrial is obligatory, if it was completed in the absence of the accused under Chapter CI of Act XC of 2017 on Criminal Procedure.
In this respect, the retrial is not subject to a deadline.”
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en doet de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich niet voor. Weliswaar wordt in de verzetgarantie geen termijn genoemd, maar uit de hiervoor geciteerde aanvullende informatie leidt de rechtbank af, dat in het onderhavige geval sprake is van de daarin genoemde situatie, als gevolg waarvan een verzetprocedure verplicht is (en derhalve niet afhankelijk is van het instellen van verzet binnen een bepaalde termijn). Daarom ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding om de zaak aan te houden voor het verkrijgen van aanvullende informatie over de termijn waar binnen verzet kan worden ingesteld.
Dit betekent dat de veroordeling niet onherroepelijk is, zodat ook de weigeringsgrond van artikel 6a, eerste lid, OLW zich niet voordoet. Voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, OLW moet het EAB worden verstaan als strekkende tot (verdere) vervolging (zie hierna onder 6.).
Ten aanzien van het vonnis vanthe Burdaörs City Courtvan 19 januari 2011 met kenmerk 4.B.322/2009/36:
Uit de aanvullende informatie van 22 mei 2026 en 29 mei 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
Ten aanzien van het arrest vanthe Miskoic Court of Appealvan 12 juni 2013 met kenmerk 7.Bf.371/2013/8:
Uit de aanvullende informatie van 22 mei 2026 en 29 mei 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De vrijheidsstraffen die zijn opgelegd bij de beslissingen van 19 januari 2011 en 12 juni 2013, zijn aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van the Eger District Courtvan 7 januari 2020 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraffen bevolen.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 [5] volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLWPro.
Aan de beslissing tot tenuitvoerlegging ligt het plegen van een nieuw strafbaar feit ten grondslag. De opgeëiste persoon is voor dit nieuwe feit definitief veroordeeld bij bovengenoemd arrest van the Eger Court of Appealvan 27 april 2021. Deze beslissing is hiervoor al onderworpen aan de toets van artikel 12 OLWPro.
De beslissing tot tenuitvoerlegging van the Eger District Court7 januari 2020 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLWPro. [6]
3.2
Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB ongenoegzaam is. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft door het vermelden van 131 strafbare feiten en deze voorts niet allemaal specifiek te benoemen en uiteen te zetten, een zelfstandige beoordeling daarvan door de rechtbank omzeild. Daarom verzoekt de raadsman het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de 131 strafbare feiten voldoende genoegzaam in het EAB zijn omschreven.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
In deze zaak is het volgende van belang. Uit de feitomschrijving in onderdeel e) van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon is veroordeeld voor – kort gezegd – verschillende, aan oplichting gerelateerde, feiten die zijn gepleegd tussen 2005 en 2017 in Hongarije. Deze feiten staan uitgebreid en concreet beschreven in het EAB. Daarnaast vermeldt het A-formulier dat de rol van de opgeëiste persoon als ‘dader’ wordt aangemerkt.
Gelet op de hiervoor bedoelde concrete omschrijving van de feiten in het EAB en het A-formulier is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een genoegzame omschrijving van de strafbare feiten waar de opgeëiste persoon voor is veroordeeld. De rechtbank beoordeelt de omschrijving van de strafbare feiten en niet het door de uitvaardigende justitiële autoriteit genoemde aantal strafbare feiten. In dit kader merkt de rechtbank ten overvloede op dat het genoemde aantal van 131 waarschijnlijk verband houdt met het grote aantal slachtoffers dat bij de feiten betrokken is, zoals volgt uit de omschrijving in het EAB. Naar het oordeel van de rechtbank is het specialiteitsbeginsel voldoende gewaarborgd. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.
4.Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
De raadsman heeft zich onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank van 4 december 2025 [7] op het standpunt gesteld dat een detentiegarantie moet worden opgevraagd, omdat op dit moment niet duidelijk is in welke instelling de opgeëiste persoon gedetineerd zal worden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitspraak waar de raadsman naar verwijst inmiddels achterhaald is, gelet op een uitspraak van deze rechtbank van 1 april 2026. [8] Daarin is geoordeeld dat er ten aanzien van detentie-instellingen in Hongarije geen algemeen reëel gevaar bestaat van een schending van grondrechten. Er dient daarom geen detentiegarantie te worden opgevraagd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat, voordat kan worden toegekomen aan een beoordeling van het individuele gevaar van een schending van grondrechten voor gedetineerden in Hongarije in de zin van artikel 4 HandvestPro, eerst moet worden onderbouwd dat in Hongarije een algemeen reëel gevaar bestaat van een dergelijke schending. [9] De raadsman heeft echter geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd die daarop duiden. De rechtbank is ook ambtshalve niet bekend met dergelijke gegevens.
Nu van een algemeen gevaar van een schending van grondrechten voor gedetineerden in Hongarije geen sprake is, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of sprake is van een concreetgevaar voor de opgeëiste persoon. De individuele situatie van de opgeëiste persoon kan namelijk alleen worden onderzocht wanneer een algemeen gevaar is vastgesteld. De rechtbank verwerpt het verweer.
6.Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWPro en er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12 sub d OLWPro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7.Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
8.Beslissing
STAAT TOEde overlevering van [de opgeëiste persoon]aan the Criminal Sentence Enforcement Group of the Eger District Court, Hongarije, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.