Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6203

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
AMS 26/2768 en AMS 26/2770
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.9.5 Huisvestingsverordening gemeente Amstelveen 2025Art. 2.2 Uitvoeringsregels woonurgentie gemeente Amstelveen 2024Art. 8:72, derde lid, AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning urgentieverklaring wegens onredelijk bezwarend huisvestingsbesluit

Verzoekster heeft een aanvraag voor een urgentieverklaring ingediend die door het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen is afgewezen. Zij stelde dat zij feitelijk dakloos is en dringend een zelfstandige woonruimte nodig heeft vanwege haar persoonlijke en psychische omstandigheden.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de afwijzing onredelijk bezwarend is. De situatie van verzoekster, die geen stabiele woonplek heeft en afhankelijk is van wisselende opvang bij familie en vrienden, kwalificeert niet als inwoning. De door verweerder aangevoerde weigeringsgronden zijn daarom niet van toepassing. Ook is beschermd verblijf geen passende oplossing, wat door betrokken instanties wordt bevestigd.

De rechtbank benadrukt dat de persoonlijke omstandigheden van verzoekster, waaronder haar traumatische ervaringen en de noodzaak van een prikkelarme woonomgeving met ambulante begeleiding, maken dat zij zo snel mogelijk zelfstandig moet gaan wonen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en beveelt het college binnen twee weken een urgentieverklaring te verstrekken. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van verletkosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het college wordt opgedragen een urgentieverklaring toe te kennen aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
Zaaknummers: AMS 26/2768 en AMS 26/2770
uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juni 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in dezaken
tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: E. Hancsok),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen, verweerder

(gemachtigden: mr. M. Roodhorst en N.C. Theeboom).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor een urgentieverklaring. Verzoekster is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit onredelijk bezwarend is voor verzoekster en toepassing van de weigeringsgronden in dit geval achterwege had moeten blijven. Verzoekster krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2.1.
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 30 december 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 31 maart 2026 op het bezwaar van verzoekster is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.2.
Verweerder heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Verzoekster is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, de stiefvader van verzoekster, de begeleidster van verzoekster [naam] , mr. H. Kras namens gemeente Amsterdam en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang en kortsluiting

3.1.
Verzoekster voert aan dat zij feitelijk dakloos is. De voorzieningenrechter leidt uit het dossier af dat partijen het erover eens zijn dat verzoekster op korte termijn een vaste plek nodig heeft. Het spoedeisend belang is daarmee gegeven.
3.2.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van verzoekster. [1]
Urgent huisvestingsprobleem
4.1.
Uit artikel 2.9.5, eerste lid, onder b, van de Huisvestingsverordening gemeente Amstelveen 2025 (Hvv) volgt dat de aanvraag voor een urgentieverklaring wordt geweigerd indien geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem. In artikel 2.2, aanhef en onder b, van de Uitvoeringsregels woonurgentie gemeente Amstelveen 2024 (Uitvoeringsregels) worden omstandigheden genoemd die in ieder geval geen urgent huisvestingsprobleem opleveren, zoals inwonen bij een ander huishouden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze algemene weigeringsgrond van toepassing is omdat verzoekster afwisselend op het adres van haar moeder, stiefvader of vriend verblijft waardoor geen sprake is van dakloosheid.
4.2.
Verzoekster voert aan dat verweerder ten onrechte deze algemene weigeringsgrond heeft tegengeworpen omdat geen sprake is van inwoning bij een ander huishouden. Sinds november 2025 beschikt verzoekster niet over een vaste, duurzame woonplek en verblijft zij noodgedwongen één à twee nachten bij haar stiefvader, afgewisseld met verblijf bij vrienden of haar vriend voor een aantal nachten. Dit zorgt voor een instabiele, onvoorspelbare en onhoudbare situatie die het dagelijks functioneren van verzoekster belemmert en maakt noodzakelijke stabiliteit en voortgang onmogelijk.
4.3.
De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat verweerder verzoekster niet langer tegenwerpt dat zij staat ingeschreven in de Brp [2] op het adres van haar moeder. De voorzieningenrechter overweegt dat ‘inwonen’ een stabielere situatie veronderstelt, waarin iemand een min of meer vaste basis heeft van waaruit bijvoorbeeld werk en het privéleven vorm kunnen worden gegeven. De situatie van iedere paar dagen moeten verkassen, met bijbehorende onrust en stress van het telkens weer moeten regelen van een volgende plek, is daarmee niet vergelijkbaar. [3] De voorzieningenrechter is van oordeel dat er in het geval van verzoekster geen sprake is van inwoning. Verzoekster verblijft namelijk niet in een stabiele situatie, maar verplaatst iedere paar dagen. De voorzieningenrechter weegt daarbij ook mee dat haar begeleider [naam] aangeeft dat in de praktijk sprake is van feitelijke dakloosheid.
Andere oplossing huisvestingsprobleem
5.1.
Uit artikel 2.9.5, eerste lid, onder c, van de Hvv volgt dat de aanvraag voor een urgentieverklaring wordt geweigerd indien de aanvrager het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze kan oplossen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze algemene weigeringsgrond van toepassing is omdat de GGD Amsterdam aan verzoekster een toekennende beschikking heeft afgegeven voor beschermd verblijf in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
5.2.
Volgens verzoekster is beschermd verblijf niet passend vanwege de aard van haar eerdere traumatische ervaringen binnen de jeugdzorg. Dit standpunt van verzoekster wordt onderbouwd door haar begeleider van Participe. Ook GGD Amsterdam is teruggekomen op de toegekende beschikking voor beschermd verblijf en ziet in dat dit geen geschikte oplossing is voor verzoekster. Daarnaast heeft de kantonrechter in haar beslissing van
26 januari 2026 bepaald dat verzoekster zelfstandig dient te wonen in Amstelveen met ambulante begeleiding door Participe. [4] Op de zitting is gebleken dat partijen het er over eens zijn dat een zelfstandige woning voor verzoekster het meest passend is. Dit betekent dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter beschermd verblijf zoals is toegekend door de GGD geen oplossing biedt, en dat deze weigeringsgrond dus niet geldt voor verzoekster.
Hardheidsclausule/evenredigheid
6.1.
Verder doet verzoekster een beroep op de hardheidsclausule. Verzoekster voert aan dat zij reeds langdurig in een situatie van dakloosheid, psychische belasting, stagnatie van behandeling en voortdurende onzekerheid verkeert, terwijl tegelijkertijd vanuit meerdere betrokken instanties, begeleiding en gerechtelijke procedures juist is benadrukt dat stabiliteit in wonen noodzakelijk is voor herstel en verdere ontwikkeling.
6.2.
Vanwege het beroep op de hardheidsclausule moet verweerder beoordelen of zich in deze zaak, los van de algemene weigeringsgronden, feiten en omstandigheden voordoen die ertoe leiden dat alsnog een urgentieverklaring wordt toegekend. Dit geldt wanneer de weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie en sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn. [5] De voorzieningenrechter is van oordeel dat weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie. Verweerder erkent zelf ook dat sprake is van een schrijnende situatie.
6.3.
Daarnaast hanteert verweerder bij een beroep op de hardheidsclausule de verdisconteringsbeperking. In een geval als dit, waarin het gaat om een gebonden beslissing op grond van een algemeen verbindend voorschrift, kan verweerder bij de evenredigheidstoets de verdisconteringsbeperking niet toepassen. [6] Verweerder dient te toetsen of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat in het geval van verzoekster toepassing van de Hvv voor haar zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. De belangenafweging in algemene zin heeft al plaatsgevonden bij het vaststellen van de Hvv. Maar verweerder moet “onder de streep” nog wel beoordelen of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van de regels uiteindelijk onevenredig uitpakt voor verzoekster. Het gaat dan om de evenwichtigheid. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor een of meer belanghebbenden onredelijk bezwarend is. [7]
6.4.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in het bestreden besluit ten onrechte deze “onder de streep” beoordeling achterwege gelaten. In dit geval zijn er bijzondere omstandigheden die het bestreden besluit voor verzoekster onredelijk bezwarend maken. De persoonlijke omstandigheden van verzoekster zijn hierbij doorslaggevend. Verzoekster, die nu 20 jaar oud is, heeft een urgente therapiebehoefte vanwege traumatische ervaringen binnen gesloten jeugdzorginstellingen. Juist vanwege die voorgeschiedenis is het onwenselijk dat verzoekster opnieuw afhankelijk wordt van langdurige institutionele trajecten of groepsgerichte woonvormen. De begeleider van Participe heeft toegelicht dat een zelfstandige woonruimte in Amstelveen vlakbij haar werk en sport, met ambulante begeleiding vanuit Participe de meest passende woonoplossing is voor verzoekster. Een zelfstandige woning is volgens de begeleider nodig om passende en noodzakelijke trauma therapie op te starten. Zij functioneert aantoonbaar beter bij een prikkelarme, voorspelbare leefomgeving en heeft laten zien dat zij in staat is tot zelfstandig functioneren. Ook de kantonrechter heeft in de genoemde beslissing van 26 januari 2026 bepaald dat verzoekster zelfstandig dient te wonen in Amstelveen. Op de zitting waren partijen het er ook over eens dat een zelfstandige woning voor verzoekster passend is. Een spoedige toekenning van een passende, zelfstandige woonoplossing in Amstelveen is noodzakelijk om zo snel mogelijk verslechtering van haar mentale gezondheid en escalatie van zorg, en op langere termijn verdergaande ontwrichting, te voorkomen. Deze persoonlijke omstandigheden van verzoekster maken het dat verzoekster zo snel mogelijk zelfstandig moet gaan wonen. Het bestreden besluit is onredelijk bezwarend voor verzoekster.
6.5.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de weigeringsgronden niet spelen, zodat verweerder niet hoefde te toetsen aan de hardheidsclausule. Maar ook als er wel weigeringsgronden speelden, had verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter de urgentieverklaring moeten toekennen.
Mogelijkheid van een omklapwoning
7.1.
Voor de zitting is tussen de betrokken partijen (verzoekster, verweerder en de GGD Amsterdam) gesproken over de mogelijkheid van een omklapwoning voor verzoekster. Verweerder zou een omklapwoning kunnen toewijzen nadat de GGD Amsterdam daarvoor een indicatie afgeeft. Een omklapwoning houdt in dat verzoekster in een zelfstandige woning in Amstelveen gaat wonen, onder begeleiding van een instantie die daarover afspraken heeft gemaakt met verweerder, zoals Timon of perMens. Op de zitting is daarover verder gesproken. Tijdens de zitting was in geschil of verzoekster zelfstandig dient te wonen in het kader van een omklaptraject dat verweerder aanbiedt of via de verlening van een urgentieverklaring waarbij verzoekster zelf voorziet in begeleiding door Participe.
7.2.
De voorzieningenrechter constateert allereerst dat er nu geen besluit is op grond waarvan verzoekster in aanmerking komt voor een omklapwoning. Die voorziening ligt nu dus feitelijk niet voor. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat een omklaptraject niet passend is voor verzoekster. Verzoekster zal dan namelijk afhankelijk worden van nieuwe zorgverleners. De begeleider van Participe heeft op de zitting uitgelegd dat zij inmiddels een vertrouwensband heeft opgebouwd met verzoekster, en dat begeleiding door een andere zorgverlener, juist gezien de ervaringen van verzoekster in de jeugdzorg in het verleden, niet passend is. De moeder en stiefvader van verzoekster beamen dit. Zij allen zien een eigen, zelfstandige woning waarbij Participe de huidige begeleiding voortzet, als meest passend voor verzoekster. Ook de kantonrechter heeft in haar beslissing van
26 januari 2026 bepaald dat verzoekster zelfstandig dient te wonen in Amstelveen met ambulante begeleiding door Participe. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt dat een zelfstandige woning via een urgentie voor verzoekster het meest passend is.

Conclusie en gevolgen

8.1.
Het beroep is gegrond. Dit betekent dat verzoekster gelijk krijgt. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. De voorzieningenrechter ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb dat verweerder aan verzoekster een urgentieverklaring moet verstrekken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er, gelet op de genoemde bijzondere omstandigheden, geen aanknopingspunten zijn voor een andere uitkomst in deze zaak dan het toekennen van een urgentieverklaring en dat op korte termijn een finale oplossing van het geschil wenselijk is. De relevante feiten en omstandigheden zijn voldoende duidelijk om tot deze conclusie te komen. Verweerder moet een nieuw besluit nemen waarin de urgentie wordt toegekend en de praktische uitvoering van de verstrekking van de urgentieverklaring wordt uitgewerkt. De voorzieningenrechter geeft verweerder hiervoor een termijn van twee weken na deze uitspraak.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is en de voorzieningenrechter zelf een beslissing neemt, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
8.3.
Omdat verzoekster geen griffierecht heeft betaald, hoeft verweerder geen griffierecht aan haar te vergoeden. Verzoekster heeft verzocht om een verletkostenvergoeding van € 109,25. Verletkosten zijn kosten van tijdverzuim omdat bijvoorbeeld vrijaf moest worden genomen voor het bijwonen van een zitting. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij haar ingeplande dienst bij haar werkgever niet kon vervullen vanwege de zitting. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder tot betaling van de verletkosten aan verzoekster.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 31 maart 2026;
- herroept het primaire besluit van 30 december 2025;
- bepaalt dat verweerder aan verzoekster een urgentieverklaring moet verstrekken en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit te nemen waarin de praktische uitvoering van de verstrekte urgentieverklaring wordt uitgewerkt;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 109,25 aan verletkosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Basisregistratie personen.
3.Zie de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 22 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2155 en 21 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:354.
4.Het betrof een beslissing van de kantonrechter op het verzoek op grond van artikel 6:6:19 lid Pro I
5.Artikel 2.9.12 van de Hvv.
6.Dit gelet op de uitspraak van de grote kamer van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBb) van 26 maart 2024 ECLI:NL:CBB:2024:190, rechtsoverweging 8.1.
7.Rechtsoverweging 8.2 van de uitspraak van het CBb van 26 maart 2024. ECLI:NL:CBB:2024:190.